< Back to Dutch & Caribbean News
 Trias PEdagogica In Dutch
 

Vindplaats belangwekkend artikel:
http://www.kinderwijs.nl/artikelen.asp?postid=175

Als ouders falen in hun opvoeding, wie neemt het dan op voor de kinderen? De overheid, ja toch ?! Of niet dan!? "TRIAS PEDAGOGICA" is een begrip dat zeer zeker gekend dient te worden in een maatschappij waar jeugdcriminaliteit schrikbarend dient te heten, en waar kindermishandeling geen uitzonderingssituatie is. Hoe helpen we "kindmoeders", hoe helpen we "achterstandgezinnen", hoe beschermen we kinderen tegen inadequate opvoeding en opleiding. Wordt het niet de hoogste tijd de werkelijke problemen te inventariseren, in plaats van te doen alsof we ons de meest fundamentele belangen van onze samenleving wel en degelijk aantrekken en fatsoenlijk en moreel verantwoord behartigen (quod non).

Tegen die achtergrond beveel ik lezing van aangehecht artikel aan.

NOGMAALS; ONZE KINDEREN ZIJN ONZE TOEKOMST!!!

Berend : :

P.S.: Is dit iets om onze nieuwe "Staatsregeling van Curaçao" op te nemen; welke politicus durft alvast deze rechtsbeginselen in de praktijk te (doen) brengen?!

*Concept-artikel 22bis Grondwet*

1. Elk kind dat zich in Nederland bevindt, heeft recht op eerbiediging en bescherming van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit, op de geborgenheid, leiding en begeleiding van volwassenen, bij voorkeur de eigen ouders, en op adequate zorg voor een optimale ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid en uitgroei naar zelfstandig democratisch burgerschap. 2. Ter waarborging en bevordering van de in lid 1 genoemde rechten draagt de overheid zorg voor een sluitend en geïntegreerd stelsel van opvoedingsfacilitering, jeugdzorg en pleeg- en adoptiezorg en jeugdbescherming. 3. De wet stelt regels omtrent de aanspraken van opvoeders op financiële en overige ondersteuning en hulp bij de opvoeding alsmede omtrent de bevoegdheden en verplichtingen van de overheid ter zake van de voorkoming van onnodig leed en vermijdbare schade aan de ontwikkeling van het kind.

Als opvoeders gefaald hebben, …… …… waar ligt dan de verantwoordelijkheid?

Onlangs werd mij de vraag gesteld: als de opvoeders gefaald hebben, waar leggen we dan de verantwoordelijkheid? Het antwoord daarop lijkt een dooddoener: bij de gemeenschap. Die heeft dan taken op het punt van interventie en reparatie. Reparatie van ontwikkelingsbeschadigingen bij het kind, voor zoveel als mogelijk bij de huidige stand van wetenschap en hulpverlening. Reparatie dus, voor zoveel als mogelijk, van probleemgedrag of psychische problemen bij het kind of de jongere. Eventueel door via de rechter hulp op te leggen als het langs de vrijwillige weg niet lukt ouders, of de jongere zelf, een succesvolle bijdrage aan reparatie te laten geven. En als hulpoplegging geen zin heeft of ook niet werkt, dan zal zonder ouders reparatie moeten worden beproefd. De jongere laten we echter niet los. Want zijn of haar recht op persoonswording is, moreel gezien, net zo goed recht én plicht, en dus onze zorg, net als de leerplicht.

Het kind heeft recht op reparatie, op interventie, maar in de eerste plaats op preventie. En dit brengt mij op een vraag die mij (eerlijk gezegd) meer boeit: als de opvoeders gefaald hebben, waar ligt dan de verantwoordelijkheid? Bij deze tweede vraag, die overigens onlosmakelijk met de eerste verbonden is, wil ik in deze bijdrage graag wat langer stilstaan. Ook op deze vraag is het ogenschijnlijk dooddoenerige antwoord: bij de gemeenschap. Als de opvoeders hebben gefaald, heeft kennelijk de gemeenschap gefaald in het waarmaken van het recht op preventie van het kind. De gemeenschap: dat zijn wij allemaal.

Trias Pedagogica

Volgens de gedachte van de Trias Pedagogica zijn er drie partijen bij opvoeding: de ouders, het kind of de jongere, en de gemeenschap: burgers, politici, individuele professionals, beroepsgroepen, overheden, de overheid. Alle drie hebben een bijdrage bij opvoeding. En alle drie kunnen falen, dat wil zeggen tekort schieten in wat van hen kan worden verwacht, tekortschieten in het respecteren van rechten en het nakomen van plichten.

In dit tijdsgewricht en in dit land moet gezegd worden dat vooral de gemeenschap ernstig tekortschiet. De randvoorwaarden voor gezonde opvoeding in onze complexe maatschappij zijn ver onder de maat en het hele stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming is achterhaald omdat het repressief en arbitrair is in plaats van preventief en sluitend. Er schort dus het nodige aan de structuren en waarborgen rond opvoeding in ons land. De balans is scheef. De gemeenschap neemt te weinig verantwoordelijkheid, en legt zowat alle verantwoordelijkheid bij ouders (art. 1:247 Burgerlijk Wetboek). Dat is onmenselijk. Niet meer van deze tijd. Te veel ouders moeten daardoor wel falen. Intussen worden wachtlijsten wachtstapels en wordt bijna dagelijks geroepen om meer repressie, drang, dwang, gevangeniscellen. Maar is de gevangenis het enige vooruitzicht voor wie als kind geboren is in een gevangenis van ouderlijke onmacht of onkunde en maatschappelijke nalatigheid of onverschilligheid?

Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Dit alles zou zich verdragen - zoals Nederland bij de VN rapporteert - met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind? Ach, zo'n verdrag is net zo sterk als de macht van de rechter die het durft toe te passen. Als de macht van de professional die collectief om kinderrechten staakt en zo het raderwerk van vanzelfsprekendheden tot stilstand brengt. Als de macht van de actiegroep die er met heilige overtuiging politici mee over de streep weet te trekken. Als de macht van een regering die uit het Verdrag leest dat zij kinderrechtelijk fatsoen gewoon moet doen. Maar sterk of zwak, natuurlijk verdraagt dit alles zich niet met dat Verdrag. Wij allen schenden dagelijks kinderrechten. Waar leggen we de verantwoordelijkheid dat dit verandert? Bij anderen of bij onszelf?

Wie komen in verzet opdat verantwoordelijkheden terugkomen waar ze horen, en door alle partijen kunnen worden waargemaakt? Hoe kwamen, denken wij, in het verleden veranderingen tot stand in ontoereikende randvoorwaarden en in verouderde systemen? Op deze vragen geef niet ik, maar geeft ieder van ons voor zichzelf het antwoord.

Een filosofisch uitstapje

De mens heeft zowel pro- als anti-sociale neigingen. En hij heeft daar weet van. Door te eten van de boom der kennis van goed en kwaad zijn goed en kwaad door de mens in de wereld gebracht. Het onderscheid tussen beide werd moraal genoemd. De mens werd als een moreel dier uit het paradijs verjaagd. Moraal werd recentelijk deel van de opvoeding. Moraal leidde recentelijk tot mensenrechten en democratie. Opvoeding, mensenrechten en democratie kunnen, met behulp van wetenschap, ertoe bijdragen de randvoorwaarden voor het goede te verbeteren en te verbreiden en de mogelijkheden tot het kwaad in te tomen, bij te buigen of af te straffen. Hugo de Groot sprak van de 'verdiende straf'. Verdiende straf is straf waarmee reïntegratie ('er weer bij horen') wordt verdiend - en is gediend. De mens wil 'erbij horen' en hij wil zijn zin doorzetten. En die twee willen wel eens botsen. Dit hoeft niet tot een pessimistisch mensbeeld te leiden.

De geschiedenis leert dat ondanks de dubbele aard van de mens morele vooruitgang in principe mogelijk is, hoe pril die geschiedenis ook is. Volgens de liberale moraal is geen mens bezit van een ander. Slavernij is afgeschaft. Vrouwen staan al een halve eeuw niet meer onder voogdij van hun man. Het recht van mannen hun vrouw te slaan, is in Nederland een halve eeuw eerder afgeschaft dan de slavernij. Maar het recht van kinderen op een fatsoenlijke opvoeding, zonder geweld, zonder verwaarlozing, zonder verwenning, moet hier nog worden ingevoerd. Terwijl het 'recht op een kind' in dit land in vanzelfsprekende bezitterigheid het 'recht op een auto' evenaart. Zó pril is de geschiedenis van onze morele vooruitgang. Vooruitgang waarbij Nederland verre van gidsland is.

Juist door die dubbele aard van de mens, pro- en anti-sociaal, mogen opvoeding, mensenrechten en democratie, en opvoeding in mensenrechten en democratie, nimmer worden onderschat of als iets vanzelfsprekends beschouwd. Daarom zijn wij niet alleen allen opvoeders, maar moeten wij ook allen opvoeders zijn: als ouders, als professionals, als burgers in een democratie. Actief en betrokken.
Als ouders falen, hebben wij daarom allen gefaald. Het is tijd dat we elkaar - burgers, ouders, professionals, politici - weer aanspreken, en onszelf laten aanspreken, op onze verantwoordelijkheden. Als wij, de opvoeders, gefaald hebben, dan ligt bij ons de verantwoordelijkheid in actie te komen en onze verantwoordelijkheid op te pakken. Welke handvatten liggen daartoe gereed in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind? Wat leren Verdrag én wetenschap ons over het 'belang van het kind'?

Zinloos geweld:

vermijdbare ontwikkelingsbeschadigingen

Er is de laatste tijd veel te doen over zinloos geweld: geweld op straat tegen onbekenden. Geweld achter de voordeur en met name geweld tegen kinderen - fysiek en emotioneel, of door verwaarlozing of verwenning - is echter niet minder zinloos. Zinloos in de zin van 'te voorkomen'.

Kinderen krijgen - en dus opvoeden - moet kunnen voor ieder die dat wil ongeacht welke rechten van het kind daarbij in het geding zijn of kunnen komen - zo lijkt de teneur, het dominante rechtsgevoel van deze tijd. Het 'belang van het kind' wordt nog altijd zo niet exclusief dan toch arbitrair - immers niet op geleide van opvoedingsrechten - door volwassenen gedefinieerd. En dus aan de belangen en grillen van volwassenen opgeofferd. Zelfs aan opvoeden met geweld houden we vast met alle geweld. Ouders hebben duizenden manieren om kinderen te straffen. Er zijn tal van manieren om kinderen zonder geweld - fysiek of psychisch - grenzen, discipline en mores, ofwel normen en waarden, bij te brengen. Maar toch moeten we onze losse handjes kunnen gebruiken tegen een kind. Dat deden onze ouders ook en daar zijn wij zelf zoveel beter, of toch echt niet slechter van geworden. Kijk maar naar onze losgeslagen maatschappij. Zweedse bezoekers van ons land verstijven en gruwen als ze getuige zijn hoe hier een kind geslagen wordt, zoals wij gruwen - en ingrijpen - als we zien dat een hond wordt geslagen. Want we zijn een land van dierenvrienden. Een kwart van de volwassenen kampt met de gevolgen van een opvoeding met geweld en aanverwante vormen van psychische beschadiging. Of zoekt daaruit bevrijding in de opvoeding van een volgende generatie. Moet kunnen, want zo is het sinds jaar en dag in dit vrije land, in onze rechtsstaat geregeld. Kinderen zijn het kind van die regeling, of liever het tekort daaraan. De gevolgen van dat tekort zijn inmiddels breed gedocumenteerd: zij zijn schrikbarend - alle mythes over universele ouderliefde en 'natuurlijk' ouderlijk opvoed-talent ten spijt. Hordes kinderen lopen nog steeds vermijdbare ontwikkelingsbeschadigingen op. Alleen de ergste gevallen durven we te benoemen als kindermishandeling. En alleen de allerergste gevallen dáárvan ontsnappen soms niet aan de aandacht van instanties - om vervolgens op een wachtlijst te belanden.

Opvoedingsonvriendelijke maatschappij

Het mag duidelijk zijn dat veel ouders hun kinderen - ook supergewenste - beschadigen met de beste bedoelingen. Of ondanks de beste voornemens. Hetzij omdat zij onvoldoende inzicht hebben in hun eigen jeugd, hetzij omdat zij domweg niet beter weten of anders denken te kunnen, hetzij omdat zij onvoldoende inzicht hebben in en/of grip op de omstandigheden in de opvoedingsonvriendelijke geïn - di vidualiseerde en geëconomiseerde maatschappij waarin wij leven. Een maatschappij waarin fundamentele opvoedingsrechten van kinderen nergens zijn vastgelegd. Noch voor ouders. Noch voor instanties - zelfs niet voor scholen. Noch voor de overheid - zelfs niet voor de overheid, terwijl het toch gaat om fundamentele mensenrechten. Laat staan dat deze rechten in beleid en dagelijkse praktijk zijn geïntegreerd. Heeft deze toestand zijn langste tijd gehad?

Rechten van het kind

Op 20 november 1989 aanvaardde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Op de Verenigde Staten (en op dit moment ook nog Somalië) na zijn alle landen van de wereld partij bij dit Verdrag. Voor Nederland trad het Verdrag op 8 maart 1995 in werking. Toch is er in de uitgangspunten en de opzet van het Nederlandse systeem van hulpverlening en kinderbescherming nog steeds niets veranderd. Ten onrechte. Traditioneel koppelen wij opvoeding aan de rechten van ouders. Aanvankelijk van vaders, later ook van moeders. Sinds 8 maart 1995 (dus sinds de inwerkingtreding van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind voor Nederland) zijn wij evenwel verplicht opvoeding ook te koppelen aan de rechten van kinderen. Via het welbekende beginsel, ook in en volgens dat Verdrag, van 'het belang van het kind' dienen we opvoeding tevens te koppelen aan wetenschappelijke inzichten. Dit betekent twee (overigens nauw samenhangende) dingen. In de eerste plaats dat ouders en kinderen volgens de State of the Art, naar de laatste stand van wetenschappelijke ontwikkelingen, moeten kunnen profiteren van onze psychologische en pedagogische kennis. Zoals dat ook het geval is met onze medische kennis. En in de tweede plaats dat ouders en kinderen recht hebben op best practices, dat wil zeggen op de meest beproefde, de beste vormen van zorg en hulpverlening. Zoals we dat ook verwachten van onze artsen en ziekenhuizen.
Deze dubbele koppeling, namelijk aan rechten van kinderen (en daarvan afgeleide aanspraken van opvoeders) en aan wetenschap, aan de State of the Art van onze kennis en aan de best practices van onze hulpverlening, leidt tot de opvatting, de vertaling van 'het belang van het kind' als c.q. in het recht van het kind op optimale persoonswording. Dit recht is op zijn beurt weer gekoppeld aan de verdragsplicht van de staat tot maximale inzet van 's lands middelen (artikel 4 Verdrag inzake de Rechten van het Kind). Maximale inzet dus van financiële, organisatorische én wetenschappelijke middelen: van kennis, organisatietalent, menskracht en geld. Voor een rijk land als Nederland een ver-strekkende verplichting. Overigens niet minder ver-strekkend dan wat we vanzelfsprekend achten ten aanzien van medische, van lichamelijke gezondheidszorg.

De vier O's

Gezien dit universele en fundamentele recht van elk kind, het recht op optimale persoonswording, gekoppeld aan de maximale-inzetplicht van de staat (overheid, wetgever, rechter), zijn het oprichten en versterken van structuren en waarborgen rond opvoeding - en met name structurele verbetering van preventie van kindermishandeling - onze eerste prioriteit. Ik doel dan in het bijzonder op de vier O's: (1) Opvoedingsonderwijs, dus schoolvakken als Omgang & Opvoeding, (2) Opvoedingsgeld c.q. -verlof, (3) Opvoedingsinformatie en (4) Opvoedingsondersteuning. En daarmee samenhangend: vaste pedagogen en psychologen bij de Consultatiebureaus, bij de huisarts en bij de schoolarts, prenatale huisbezoeken, waar nodig intensieve thuishulp en, waar noodzakelijk, effectief ingrijpen.

De minimale boodschap, de bottom-line, moet zijn: opvoedingsondersteuning (in de meest ruime zin) moet vroeger, massaler en massiever. Vroeger: prenataal te beginnen. Massaler: in principe voor alle ouders. Massiever: degelijker, deskundiger, minder vrijblijvend. En waar nodig langdurig en intensief.

Investeren vanaf het begin van het leven

De omvang van vermijdbare ontwikkelingsbeschadiging in combinatie met onze kennis over vroege kind- en hersenontwikkeling laten geen twijfel bestaan over het enorme belang en de absolute noodzaak van investeringen vanaf het begin van het leven en dus in (aanstaande) ouders. Wetenschap, rechten van kinderen en economie komen hier samen, want elke geïnvesteerde euro in ouders en voorschoolse, schoolse en buitenschoolse opvoeding wordt veelvuldig terugverdiend. Preventie van ontwikkelingsbeschadiging betekent immers preventie van school- en arbeidsuitval, vermindering van lichamelijke en psychische klachten, en dus van een beroep op de lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg, minder psychiatrie, meer gezonde hersencellen, minder volle gevangeniscellen, meer veiligheid en minder geweld vóór en achter de voordeur. Een beetje koopman zou zeggen: tel uit je winst. Een beetje politicus zou zijn of haar nek uitsteken. Niet om onmiddellijk maar om op termijn fors te kunnen scoren. Scoren voor de toekomst van ons land. Scoren om nu en in de toekomst de boel een beetje bij elkaar te kunnen houden. Een beetje regering zou niet uit de mensenrechtelijke pas willen lopen. En inmiddels ook behoorlijk uit de pas van ontwikkelingen in andere geïndustrialiseerde landen.

Twee lessen

Kinderrechten zijn niet iets 'softs' maar raken de kern van harde maatschappelijke belangen en fundamentele maatschappelijke en menselijke waarden. Veiligheid, integratie, economie, democratie, onderwijs en emancipatie zijn daarvan niet de geringste. Gezin, gezondheid, rentmeesterschap, vredesbevordering, vermindering van lijden, samenwerking tussen mensen en landen en vele andere waarden en belangen kunnen daaraan nog worden toegevoegd. Uitgangspunt van kinderrechten is dat de overheid een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de gezonde ontwikkeling en dus voor de opvoeding van kinderen. De randvoorwaarden voor die opvoeding moeten optimaal zijn. Dat is een kerntaak van de overheid in een rechtsstaat zoals de onze, die, in elk geval sedert 8 maart 1995, ook fundamentele rechten van kinderen tot zijn grondrechtelijke waarden rekent. En deze dus volledig in zijn rechtsstelsel en beleid dient te incorporeren en te integreren. It takes rights to raise a child.

De meeste vormen van kindermishandeling betreffen ontwikkelings-beschadigingen uit onkunde of onmacht - vaak uit transgenerationele (van generatie op generatie doorgegeven) onmacht. Ontwikkelingsbeschadigingen bij de volgende generatie door niet gerepareerde beschadigingen opgelopen in de jeugd van de opvoeder door onkunde of onmacht van diens opvoeders. Een andere generatie, die leefde in een andere tijd en andere omstandigheden, of zelfs in een ander land. Deze ontwikkelings-beschadigingen horen in principe (excessen daargelaten) niet thuis in de misdrijfsfeer, en maken dus de werkers in de hulpverlening en kinderbescherming niet tot rechercheurs. Integendeel, het gaat bij (preventieve) interventies om de beste hulp - om best practices - voor het kind en zijn of haar ouders. Hulp die uithuisplaatsingen voorkomt. Hulp van een niveau zoals we dat ook van de huisarts en specialisten zouden verwachten. It takes best practices to raise a child.

Grondrechten van kinderen en aanspraken van opvoeders

Pakken we deze twee lessen samen: voor opvoeding zijn rechten nodig en de beste hulp (it takes rights to raise a child, it takes best practices to raise a child), dan tekenen zich de contouren af van het systeem van opvoedingsondersteuning - dat wil zeggen van opvoedingsfacilitering, hulpverlening en als sluitstuk kinderbescherming - waar we naartoe moeten. Grond rechten van kinderen en daarvan afgeleide aanspraken van opvoeders zijn daarbij uitgangspunt. Waarom gaat het? Waartoe verplicht ons het Verdrag inzake de Rechten van het Kind? Voor een kind zijn geborgenheid en leiding en begeleiding net zo onmisbaar, en dus net zo fundamenteel als eten, drinken en een dak boven het hoofd. Daarom horen geborgenheid en leiding en begeleiding door volwassenen, bij voorkeur de eigen ouders, als fundamentele kinderrechten thuis in de grondrechten, en dus in de Grondwet. Naast de veiligheids- of integriteits- en de sociale rechten die voor iedereen gelden. Niet minder onmisbaar voor een kind zijn ouders, opvoeders, die kunnen rekenen op volledige steun van de gemeenschap bij de zware plicht - ouders bij wet (art. 1:247 Burgerlijk Wetboek) en de gemeenschap bij Verdrag (art. 29 Verdrag inzake de Rechten van het Kind) opgelegd - een kind op te voeden en te onderrichten tot zelfstandig persoon en democratisch burger. Ook dat hoort in de grondrechten, en dus in de Grondwet, thuis. Dit alles kan in een in te lassen artikel 22bis (of eventueel 11bis) van de Grondwet, dat als basis kan dienen voor de wettelijke en feitelijke versterking van structuren en waarborgen rond opvoeding.

Concept-artikel 22bis Grondwet

1. Elk kind dat zich in Nederland bevindt, heeft recht op eerbiediging en bescherming van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit, op de geborgenheid, leiding en begeleiding van volwassenen, bij voorkeur de eigen ouders, en op adequate zorg voor een optimale ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid en uitgroei naar zelfstandig democratisch burgerschap.
2. Ter waarborging en bevordering van de in lid 1 genoemde rechten draagt de overheid zorg voor een sluitend en geïntegreerd stelsel van opvoedingsfacilitering, jeugdzorg en pleeg- en adoptiezorg en jeugdbescherming.
3. De wet stelt regels omtrent de aanspraken van opvoeders op financiële en overige ondersteuning en hulp bij de opvoeding alsmede omtrent de bevoegdheden en verplichtingen van de overheid ter zake van de voorkoming van onnodig leed en vermijdbare schade aan de ontwikkeling van het kind.

Dwang

Een sluitend stelsel heeft als sluitstuk dwang. Daarover nog enkele woorden. Door opvoedingsfacilitering en goede jeugdzorg kan in veel gevallen dwang - en stigmatisering - worden voorkomen. Om nog maar eens enkele preventieve zaken te noemen: prenatale huisbezoeken met informatie over voorzieningen en ondersteuning; oudergroepen met informatie en feedback over kindontwikkeling en kind-identificatie, en over 1001 praktische en pedagogische zaken; gespreksgroepen over opvoeden hier-en-nu en de eigen jeugd vroeger, of nog niet zo heel lang geleden; ruime verlofmogelijkheden voor ouders; extra opvoedgeld voor alleenstaande moeders (en vaders), zodat geen kind in dit rijke land in armoede hoeft op te groeien; praktische en pedagogische thuishulp; therapie, coaching en gezinsbegeleiding - als dat nodig is intensief, als dat nodig is jarenlang, als dat nodig is (bij psychiatrische problemen, bij verslavingsproblemen, bij rand- of zwakbegaafdheid) intensief én jarenlang. Al deze voorzieningen en vele andere die nog kunnen worden of al zijn bedacht, zijn te beschouwen als een direct uitvloeisel van het recht van het kind op preventie.
Dwang ofwel jeugdbescherming - dat wil zeggen hulpoplegging door de rechter - is daarbij sluitstuk, laatste middel dat wordt gehanteerd om minimale persoonswording te waarborgen als dat op andere wijze niet kan, als minimale persoonswording anders niet kan worden gewaarborgd. Want die waarborging, op een minimaal (door wet en jurisprudentie nader te bepalen) niveau, is rechtsplicht.
Vandaar de term 'persoonswordingsvindicatie': het recht van het kind op interventie en (eventueel) reparatie (kind- en gezinsbehandeling) als preventie faalt. Waarmee ik weer terug ben bij mijn openingsvraag. Tijd dus om tot een conclusie te komen.

 

Conclusie

Er is geen zinlozer geweld denkbaar dan kindermishandeling. Zinloos in de zin van voorkoombaar. Zeker gezien de huidige stand van de wetenschap met betrekking tot ontwikkelingsbeschadiging en onze kennis van geschikte 'methoden en technieken' van informatie, zorg en hulpverlening. Waardoor we opvoedingsondersteuning vroeger, massaler en massiever kunnen aanbieden. Dat desondanks in Nederland kinderrechten, hoewel ook hier op grote schaal geschonden, geen issue zijn, is niet alleen de schuld van ouders die menen dat kinderen krijgen en opvoeden hun exclusieve domein is. Want bij wie leggen wij de verantwoordelijkheid een dergelijk rechtsgevoel met internationale rechten van kinderen te confronteren?

Prof. mr Jan C. M. Willems

NOTEN
1.
Seminar on corporal punishment of children within the family, Straatsburg 21 november 2002, interview met Peter Newell, promoter of the Global Initiative to End All Corporal Punishment of Children (zie ). Het interview is te vinden op de website van de Raad van Europa:

2.
Zie in verband met persoonswording als nieuw paradigma van kinderrechten, jeugd- en familierecht: Jan C.M. Willems, 'Empowerment en responsabilisering als positieve opvoedingsvrijheid; Vier stellingen rond de rechten van het kind', in: M. Reuling e.a. (red.), Opvoeding, onderwijs & overheid; Thema's uit de wijsgerige en historische pedagogiek, SWP, Amsterdam 2002, p. 11-29. Zie ook noot 8 en noot 9.

3.
Jan C.M. Willems, 'Normen en Waarden? Voer het Kinderrechtenverdrag uit! Een essay over kinderbescherming', Nederlands Tijdschrift voor Jeugdzorg 2002, nr 6, p. 308-321, op p. 315-317.

4.
Zie inmiddels ook het tweede statenrapport van Nederland over de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind op . Zie ook het tweede 'schaduwrapport' van het Kinderrechtencollectief: Opgroeien in de lage landen - Kinderrechten in Nederland; Tweede rapport van het Kinderrechtencollectief over de implementatie van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind in Nederland, Defence for Children International (DCI), Afdeling Nederland, Amsterdam mei 2002 (). Het zou een goede zaak zijn als in navolging van de Kalsbeek-rapportage bij het Vrouwenverdrag ook bij het Kinderrechtenverdrag eerst aan het parlement werd gerapporteerd (zie Jan C.M. Willems, Wie zal de opvoeders opvoeden? Kindermishandeling en het recht van het kind op persoonswording, Den Haag: T.M.C. Asser Press 1999, p. 967-971).

5.
Vgl. A.W.M. Veldkamp, Over grenzen! Internationaal vergelijkende verkenning van de rol van de overheid bij de opvoeding en bescherming van kinderen, Ministerie van Justitie, Den Haag, juli 2001.

6.
Blijkens onder meer de discussie over het (onverantwoorde) ouderschap van zwakzinnige (verstandelijk gehandicapte) ouders. Vgl. voor een verstandig (maar 'politiek niet helemaal correct' en 'paternalistisch') standpunt in deze discussie Dirk Duijzer, '[Verstandelijk] gehandicapte vaak geen goede ouder', Trouw, de Verdieping, 26 oktober 2002. Zie intussen ook de ingezonden reacties op Mariël Croon, 'Het recht van verstandelijk gehandicapten op kinderen', NRC Handelsblad 7/8 december 2002, Zaterdags Bijvoegsel, in die krant van 14/15 december 2002. Ook in NRC Handelsblad 21/22 december 2002, Zaterdags Bijvoegsel, verscheen nog een tweetal brieven, waaronder de reactie van A. Bood, secretaris van de Gezondheidsraad. Aanleiding voor de discussie was het advies van de Gezondheidsraad Anticonceptie voor mensen met een verstandelijke handicap van 23 oktober 2002 (te downloaden via www.gr.nl). De laatste twee brieven, waaronder mijn reactie op A. Bood (onder de kop van de redactie 'Kind is geen speeltje'), verschenen in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad van 4/5 januari 2003.

7.
David L. Chadwick, 'Community organization of services to deal with and end child abuse', in: John E.B. Myers e.a. (eds.), The APSAC Handbook on Child Maltreatment, American Professional Society on the Abuse of Children, Sage Publications, Thousand Oaks etc. 2002 (2e editie), p. 509-523, op p. 510.

8.
Zie in dit verband ook de belangwekkende dissertatie van Annelies E. Henstra, Van afstammingsrecht naar ouderschapsrecht, G.J. Wiarda Instituut, Utrecht 2002.

9.
Zie Jan C.M. Willems, 'The children's law of nations: The international rights of the child in the Trias pedagogica', in: dez. (ed.), Developmental and Autonomy Rights of Children; Empowering Children, Caregivers and Communities, Intersentia, Antwerpen etc. 2002, p. 69-102.

10.
Zie José Sagasser, 'Elk gezin een eigen huispedagoog', Tijdschrift over kindermishandeling 2002, nr 3, p. 19-20, en mijn reactie daarop in nr 4, p. 18-19.

11.
Vgl. Jacques van der Gaag, 'From child development to human development', in: Mary Eming Young (ed.), From Early Child Development to Human Development; Investing in Our Children's Future, Proceedings of a World Bank Conference, The World Bank, Washington, D.C. 2002, p. 63-78.

12.
Frank W. Putnam, 'Why is it so difficult for the epidemic of child abuse to be taken seriously?' In: Kris Franey, Robert Geffner and Robert Falconer (eds.), The Cost of Child Maltreatment: Who Pays? We All Do, Family Violence & Sexual Assault Institute, San Diego 2001, p. 185-197, op p. 194.

13.
Zie het rapport van Veldkamp (noot 5).

14.
Zie ook het Algemeen Commentaar op dit artikel van het toezichthoudend VN-Comité in Genève: UN Committee on the Rights of the Child, The Aims of Education, General Comment No. 1, 2001, CRC/GC/ 2001/1 www.unhchr.ch.

15.
Vgl. over kind-identificatie Lietje van Blaaderen, Wat ouders niet weten; Hechting, verlangen naar liefde en angst voor liefdesverlies, Twello: Van Tricht 2001. Volgens deze psychiater is de eerste pats op de luier of de eerste tik op de vingers de eerste les in geweld. Het boek is onderdeel van haar 'Project Preventie van Geweld'.

 

Copyright © 2007-08.
All Rights Reserved.