|
Als
opvoeders gefaald hebben, …… …… waar ligt dan de
verantwoordelijkheid?
Onlangs werd mij de vraag gesteld:
als de opvoeders gefaald hebben, waar leggen we
dan de verantwoordelijkheid? Het antwoord daarop
lijkt een dooddoener: bij de gemeenschap. Die
heeft dan taken op het punt van interventie en
reparatie. Reparatie van
ontwikkelingsbeschadigingen bij het kind, voor
zoveel als mogelijk bij de huidige stand van
wetenschap en hulpverlening. Reparatie dus, voor
zoveel als mogelijk, van probleemgedrag of
psychische problemen bij het kind of de jongere.
Eventueel door via de rechter hulp op te leggen
als het langs de vrijwillige weg niet lukt
ouders, of de jongere zelf, een succesvolle
bijdrage aan reparatie te laten geven. En als
hulpoplegging geen zin heeft of ook niet werkt,
dan zal zonder ouders reparatie moeten worden
beproefd. De jongere laten we echter niet los.
Want zijn of haar recht op persoonswording is,
moreel gezien, net zo goed recht én plicht, en
dus onze zorg, net als de leerplicht.
Het kind heeft recht op reparatie,
op interventie, maar in de eerste plaats op
preventie. En dit brengt mij op een vraag die
mij (eerlijk gezegd) meer boeit: als de
opvoeders gefaald hebben, waar ligt dan de
verantwoordelijkheid? Bij deze tweede vraag, die
overigens onlosmakelijk met de eerste verbonden
is, wil ik in deze bijdrage graag wat langer
stilstaan. Ook op deze vraag is het
ogenschijnlijk dooddoenerige antwoord: bij de
gemeenschap. Als de opvoeders hebben gefaald,
heeft kennelijk de gemeenschap gefaald in het
waarmaken van het recht op preventie van het
kind. De gemeenschap: dat zijn wij allemaal.
Trias Pedagogica
Volgens de gedachte van de Trias
Pedagogica zijn er drie partijen bij opvoeding:
de ouders, het kind of de jongere, en de
gemeenschap: burgers, politici, individuele
professionals, beroepsgroepen, overheden, de
overheid. Alle drie hebben een bijdrage bij
opvoeding. En alle drie kunnen falen, dat wil
zeggen tekort schieten in wat van hen kan worden
verwacht, tekortschieten in het respecteren van
rechten en het nakomen van plichten.
In dit tijdsgewricht en in dit
land moet gezegd worden dat vooral de
gemeenschap ernstig tekortschiet. De
randvoorwaarden voor gezonde opvoeding in onze
complexe maatschappij zijn ver onder de maat en
het hele stelsel van jeugdzorg en
jeugdbescherming is achterhaald omdat het
repressief en arbitrair is in plaats van
preventief en sluitend. Er schort dus het nodige
aan de structuren en waarborgen rond opvoeding
in ons land. De balans is scheef. De gemeenschap
neemt te weinig verantwoordelijkheid, en legt
zowat alle verantwoordelijkheid bij ouders (art.
1:247 Burgerlijk Wetboek). Dat is onmenselijk.
Niet meer van deze tijd. Te veel ouders moeten
daardoor wel falen. Intussen worden wachtlijsten
wachtstapels en wordt bijna dagelijks geroepen
om meer repressie, drang, dwang,
gevangeniscellen. Maar is de gevangenis het
enige vooruitzicht voor wie als kind geboren is
in een gevangenis van ouderlijke onmacht of
onkunde en maatschappelijke nalatigheid of
onverschilligheid?
Verdrag inzake de Rechten van het
Kind
Dit alles zou zich verdragen -
zoals Nederland bij de VN rapporteert - met het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind? Ach,
zo'n verdrag is net zo sterk als de macht van de
rechter die het durft toe te passen. Als de
macht van de professional die collectief om
kinderrechten staakt en zo het raderwerk van
vanzelfsprekendheden tot stilstand brengt. Als
de macht van de actiegroep die er met heilige
overtuiging politici mee over de streep weet te
trekken. Als de macht van een regering die uit
het Verdrag leest dat zij kinderrechtelijk
fatsoen gewoon moet doen. Maar sterk of zwak,
natuurlijk verdraagt dit alles zich niet met dat
Verdrag. Wij allen schenden dagelijks
kinderrechten. Waar leggen we de
verantwoordelijkheid dat dit verandert? Bij
anderen of bij onszelf?
Wie komen in verzet opdat
verantwoordelijkheden terugkomen waar ze horen,
en door alle partijen kunnen worden waargemaakt?
Hoe kwamen, denken wij, in het verleden
veranderingen tot stand in ontoereikende
randvoorwaarden en in verouderde systemen? Op
deze vragen geef niet ik, maar geeft ieder van
ons voor zichzelf het antwoord.
Een filosofisch uitstapje
De mens heeft zowel pro- als
anti-sociale neigingen. En hij heeft daar weet
van. Door te eten van de boom der kennis van
goed en kwaad zijn goed en kwaad door de mens in
de wereld gebracht. Het onderscheid tussen beide
werd moraal genoemd. De mens werd als een moreel
dier uit het paradijs verjaagd. Moraal werd
recentelijk deel van de opvoeding. Moraal leidde
recentelijk tot mensenrechten en democratie.
Opvoeding, mensenrechten en democratie kunnen,
met behulp van wetenschap, ertoe bijdragen de
randvoorwaarden voor het goede te verbeteren en
te verbreiden en de mogelijkheden tot het kwaad
in te tomen, bij te buigen of af te straffen.
Hugo de Groot sprak van de 'verdiende straf'.
Verdiende straf is straf waarmee reïntegratie
('er weer bij horen') wordt verdiend - en is
gediend. De mens wil 'erbij horen' en hij wil
zijn zin doorzetten. En die twee willen wel eens
botsen. Dit hoeft niet tot een pessimistisch
mensbeeld te leiden.
De geschiedenis leert dat ondanks
de dubbele aard van de mens morele vooruitgang
in principe mogelijk is, hoe pril die
geschiedenis ook is. Volgens de liberale moraal
is geen mens bezit van een ander. Slavernij is
afgeschaft. Vrouwen staan al een halve eeuw niet
meer onder voogdij van hun man. Het recht van
mannen hun vrouw te slaan, is in Nederland een
halve eeuw eerder afgeschaft dan de slavernij.
Maar het recht van kinderen op een fatsoenlijke
opvoeding, zonder geweld, zonder verwaarlozing,
zonder verwenning, moet hier nog worden
ingevoerd. Terwijl het 'recht op een kind' in
dit land in vanzelfsprekende bezitterigheid het
'recht op een auto' evenaart. Zó pril is de
geschiedenis van onze morele vooruitgang.
Vooruitgang waarbij Nederland verre van gidsland
is.
Juist door die dubbele aard van
de mens, pro- en anti-sociaal, mogen opvoeding,
mensenrechten en democratie, en opvoeding in
mensenrechten en democratie, nimmer worden
onderschat of als iets vanzelfsprekends
beschouwd. Daarom zijn wij niet alleen allen
opvoeders, maar moeten wij ook allen opvoeders
zijn: als ouders, als professionals, als burgers
in een democratie. Actief en betrokken.
Als ouders falen, hebben wij daarom allen
gefaald. Het is tijd dat we elkaar - burgers,
ouders, professionals, politici - weer
aanspreken, en onszelf laten aanspreken, op onze
verantwoordelijkheden. Als wij, de opvoeders,
gefaald hebben, dan ligt bij ons de
verantwoordelijkheid in actie te komen en onze
verantwoordelijkheid op te pakken. Welke
handvatten liggen daartoe gereed in het Verdrag
inzake de Rechten van het Kind? Wat leren
Verdrag én wetenschap ons over het 'belang van
het kind'?
Zinloos geweld:
vermijdbare
ontwikkelingsbeschadigingen
Er is de laatste tijd veel te
doen over zinloos geweld: geweld op straat tegen
onbekenden. Geweld achter de voordeur en met
name geweld tegen kinderen - fysiek en
emotioneel, of door verwaarlozing of verwenning
- is echter niet minder zinloos. Zinloos in de
zin van 'te voorkomen'.
Kinderen krijgen - en dus
opvoeden - moet kunnen voor ieder die dat wil
ongeacht welke rechten van het kind daarbij in
het geding zijn of kunnen komen - zo lijkt de
teneur, het dominante rechtsgevoel van deze
tijd. Het 'belang van het kind' wordt nog altijd
zo niet exclusief dan toch arbitrair - immers
niet op geleide van opvoedingsrechten - door
volwassenen gedefinieerd. En dus aan de belangen
en grillen van volwassenen opgeofferd. Zelfs aan
opvoeden met geweld houden we vast met alle
geweld. Ouders hebben duizenden manieren om
kinderen te straffen. Er zijn tal van manieren
om kinderen zonder geweld - fysiek of psychisch
- grenzen, discipline en mores, ofwel normen en
waarden, bij te brengen. Maar toch moeten we
onze losse handjes kunnen gebruiken tegen een
kind. Dat deden onze ouders ook en daar zijn wij
zelf zoveel beter, of toch echt niet slechter
van geworden. Kijk maar naar onze losgeslagen
maatschappij. Zweedse bezoekers van ons land
verstijven en gruwen als ze getuige zijn hoe
hier een kind geslagen wordt, zoals wij gruwen -
en ingrijpen - als we zien dat een hond wordt
geslagen. Want we zijn een land van
dierenvrienden. Een kwart van de volwassenen
kampt met de gevolgen van een opvoeding met
geweld en aanverwante vormen van psychische
beschadiging. Of zoekt daaruit bevrijding in de
opvoeding van een volgende generatie. Moet
kunnen, want zo is het sinds jaar en dag in dit
vrije land, in onze rechtsstaat geregeld.
Kinderen zijn het kind van die regeling, of
liever het tekort daaraan. De gevolgen van dat
tekort zijn inmiddels breed gedocumenteerd: zij
zijn schrikbarend - alle mythes over universele
ouderliefde en 'natuurlijk' ouderlijk
opvoed-talent ten spijt. Hordes kinderen lopen
nog steeds vermijdbare
ontwikkelingsbeschadigingen op. Alleen de ergste
gevallen durven we te benoemen als
kindermishandeling. En alleen de allerergste
gevallen dáárvan ontsnappen soms niet aan de
aandacht van instanties - om vervolgens op een
wachtlijst te belanden.
Opvoedingsonvriendelijke
maatschappij
Het mag duidelijk zijn dat veel
ouders hun kinderen - ook supergewenste -
beschadigen met de beste bedoelingen. Of ondanks
de beste voornemens. Hetzij omdat zij
onvoldoende inzicht hebben in hun eigen jeugd,
hetzij omdat zij domweg niet beter weten of
anders denken te kunnen, hetzij omdat zij
onvoldoende inzicht hebben in en/of grip op de
omstandigheden in de opvoedingsonvriendelijke
geïn - di vidualiseerde en geëconomiseerde
maatschappij waarin wij leven. Een maatschappij
waarin fundamentele opvoedingsrechten van
kinderen nergens zijn vastgelegd. Noch voor
ouders. Noch voor instanties - zelfs niet voor
scholen. Noch voor de overheid - zelfs niet voor
de overheid, terwijl het toch gaat om
fundamentele mensenrechten. Laat staan dat deze
rechten in beleid en dagelijkse praktijk zijn
geïntegreerd. Heeft deze toestand zijn langste
tijd gehad?
Rechten van het kind
Op 20 november 1989 aanvaardde de
Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Op de
Verenigde Staten (en op dit moment ook nog
Somalië) na zijn alle landen van de wereld
partij bij dit Verdrag. Voor Nederland trad het
Verdrag op 8 maart 1995 in werking. Toch is er
in de uitgangspunten en de opzet van het
Nederlandse systeem van hulpverlening en
kinderbescherming nog steeds niets veranderd.
Ten onrechte. Traditioneel koppelen wij
opvoeding aan de rechten van ouders.
Aanvankelijk van vaders, later ook van moeders.
Sinds 8 maart 1995 (dus sinds de
inwerkingtreding van het VN-Verdrag inzake de
Rechten van het Kind voor Nederland) zijn wij
evenwel verplicht opvoeding ook te koppelen aan
de rechten van kinderen. Via het welbekende
beginsel, ook in en volgens dat Verdrag, van
'het belang van het kind' dienen we opvoeding
tevens te koppelen aan wetenschappelijke
inzichten. Dit betekent twee (overigens nauw
samenhangende) dingen. In de eerste plaats dat
ouders en kinderen volgens de State of the Art,
naar de laatste stand van wetenschappelijke
ontwikkelingen, moeten kunnen profiteren van
onze psychologische en pedagogische kennis.
Zoals dat ook het geval is met onze medische
kennis. En in de tweede plaats dat ouders en
kinderen recht hebben op best practices, dat wil
zeggen op de meest beproefde, de beste vormen
van zorg en hulpverlening. Zoals we dat ook
verwachten van onze artsen en ziekenhuizen.
Deze dubbele koppeling, namelijk aan rechten van
kinderen (en daarvan afgeleide aanspraken van
opvoeders) en aan wetenschap, aan de State of
the Art van onze kennis en aan de best practices
van onze hulpverlening, leidt tot de opvatting,
de vertaling van 'het belang van het kind' als
c.q. in het recht van het kind op optimale
persoonswording. Dit recht is op zijn beurt weer
gekoppeld aan de verdragsplicht van de staat tot
maximale inzet van 's lands middelen (artikel 4
Verdrag inzake de Rechten van het Kind).
Maximale inzet dus van financiële,
organisatorische én wetenschappelijke middelen:
van kennis, organisatietalent, menskracht en
geld. Voor een rijk land als Nederland een
ver-strekkende verplichting. Overigens niet
minder ver-strekkend dan wat we vanzelfsprekend
achten ten aanzien van medische, van
lichamelijke gezondheidszorg.
De vier O's
Gezien dit universele en
fundamentele recht van elk kind, het recht op
optimale persoonswording, gekoppeld aan de
maximale-inzetplicht van de staat (overheid,
wetgever, rechter), zijn het oprichten en
versterken van structuren en waarborgen rond
opvoeding - en met name structurele verbetering
van preventie van kindermishandeling - onze
eerste prioriteit. Ik doel dan in het bijzonder
op de vier O's: (1) Opvoedingsonderwijs, dus
schoolvakken als Omgang & Opvoeding, (2)
Opvoedingsgeld c.q. -verlof, (3)
Opvoedingsinformatie en (4)
Opvoedingsondersteuning. En daarmee
samenhangend: vaste pedagogen en psychologen bij
de Consultatiebureaus, bij de huisarts en bij de
schoolarts, prenatale huisbezoeken, waar nodig
intensieve thuishulp en, waar noodzakelijk,
effectief ingrijpen.
De minimale boodschap, de
bottom-line, moet zijn: opvoedingsondersteuning
(in de meest ruime zin) moet vroeger, massaler
en massiever. Vroeger: prenataal te beginnen.
Massaler: in principe voor alle ouders.
Massiever: degelijker, deskundiger, minder
vrijblijvend. En waar nodig langdurig en
intensief.
Investeren vanaf het begin van
het leven
De omvang van vermijdbare
ontwikkelingsbeschadiging in combinatie met onze
kennis over vroege kind- en hersenontwikkeling
laten geen twijfel bestaan over het enorme
belang en de absolute noodzaak van investeringen
vanaf het begin van het leven en dus in
(aanstaande) ouders. Wetenschap, rechten van
kinderen en economie komen hier samen, want elke
geïnvesteerde euro in ouders en voorschoolse,
schoolse en buitenschoolse opvoeding wordt
veelvuldig terugverdiend. Preventie van
ontwikkelingsbeschadiging betekent immers
preventie van school- en arbeidsuitval,
vermindering van lichamelijke en psychische
klachten, en dus van een beroep op de
lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg,
minder psychiatrie, meer gezonde hersencellen,
minder volle gevangeniscellen, meer veiligheid
en minder geweld vóór en achter de voordeur. Een
beetje koopman zou zeggen: tel uit je winst. Een
beetje politicus zou zijn of haar nek uitsteken.
Niet om onmiddellijk maar om op termijn fors te
kunnen scoren. Scoren voor de toekomst van ons
land. Scoren om nu en in de toekomst de boel een
beetje bij elkaar te kunnen houden. Een beetje
regering zou niet uit de mensenrechtelijke pas
willen lopen. En inmiddels ook behoorlijk uit de
pas van ontwikkelingen in andere
geïndustrialiseerde landen.
Twee lessen
Kinderrechten zijn niet iets
'softs' maar raken de kern van harde
maatschappelijke belangen en fundamentele
maatschappelijke en menselijke waarden.
Veiligheid, integratie, economie, democratie,
onderwijs en emancipatie zijn daarvan niet de
geringste. Gezin, gezondheid, rentmeesterschap,
vredesbevordering, vermindering van lijden,
samenwerking tussen mensen en landen en vele
andere waarden en belangen kunnen daaraan nog
worden toegevoegd. Uitgangspunt van
kinderrechten is dat de overheid een eigen
verantwoordelijkheid heeft voor de gezonde
ontwikkeling en dus voor de opvoeding van
kinderen. De randvoorwaarden voor die opvoeding
moeten optimaal zijn. Dat is een kerntaak van de
overheid in een rechtsstaat zoals de onze, die,
in elk geval sedert 8 maart 1995, ook
fundamentele rechten van kinderen tot zijn
grondrechtelijke waarden rekent. En deze dus
volledig in zijn rechtsstelsel en beleid dient
te incorporeren en te integreren. It takes
rights to raise a child.
De meeste vormen van
kindermishandeling betreffen
ontwikkelings-beschadigingen uit onkunde of
onmacht - vaak uit transgenerationele (van
generatie op generatie doorgegeven) onmacht.
Ontwikkelingsbeschadigingen bij de volgende
generatie door niet gerepareerde beschadigingen
opgelopen in de jeugd van de opvoeder door
onkunde of onmacht van diens opvoeders. Een
andere generatie, die leefde in een andere tijd
en andere omstandigheden, of zelfs in een ander
land. Deze ontwikkelings-beschadigingen horen in
principe (excessen daargelaten) niet thuis in de
misdrijfsfeer, en maken dus de werkers in de
hulpverlening en kinderbescherming niet tot
rechercheurs. Integendeel, het gaat bij
(preventieve) interventies om de beste hulp - om
best practices - voor het kind en zijn of haar
ouders. Hulp die uithuisplaatsingen voorkomt.
Hulp van een niveau zoals we dat ook van de
huisarts en specialisten zouden verwachten. It
takes best practices to raise a child.
Grondrechten van kinderen en
aanspraken van opvoeders
Pakken we deze twee lessen samen:
voor opvoeding zijn rechten nodig en de beste
hulp (it takes rights to raise a child, it takes
best practices to raise a child), dan tekenen
zich de contouren af van het systeem van
opvoedingsondersteuning - dat wil zeggen van
opvoedingsfacilitering, hulpverlening en als
sluitstuk kinderbescherming - waar we naartoe
moeten. Grond rechten van kinderen en daarvan
afgeleide aanspraken van opvoeders zijn daarbij
uitgangspunt. Waarom gaat het? Waartoe verplicht
ons het Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Voor een kind zijn geborgenheid en leiding en
begeleiding net zo onmisbaar, en dus net zo
fundamenteel als eten, drinken en een dak boven
het hoofd. Daarom horen geborgenheid en leiding
en begeleiding door volwassenen, bij voorkeur de
eigen ouders, als fundamentele kinderrechten
thuis in de grondrechten, en dus in de Grondwet.
Naast de veiligheids- of integriteits- en de
sociale rechten die voor iedereen gelden. Niet
minder onmisbaar voor een kind zijn ouders,
opvoeders, die kunnen rekenen op volledige steun
van de gemeenschap bij de zware plicht - ouders
bij wet (art. 1:247 Burgerlijk Wetboek) en de
gemeenschap bij Verdrag (art. 29 Verdrag inzake
de Rechten van het Kind) opgelegd - een kind op
te voeden en te onderrichten tot zelfstandig
persoon en democratisch burger. Ook dat hoort in
de grondrechten, en dus in de Grondwet, thuis.
Dit alles kan in een in te lassen artikel 22bis
(of eventueel 11bis) van de Grondwet, dat als
basis kan dienen voor de wettelijke en
feitelijke versterking van structuren en
waarborgen rond opvoeding.
Concept-artikel 22bis Grondwet
1. Elk kind dat zich in Nederland
bevindt, heeft recht op eerbiediging en
bescherming van zijn of haar lichamelijke en
geestelijke integriteit, op de geborgenheid,
leiding en begeleiding van volwassenen, bij
voorkeur de eigen ouders, en op adequate zorg
voor een optimale ontwikkeling van zijn of haar
persoonlijkheid en uitgroei naar zelfstandig
democratisch burgerschap.
2. Ter waarborging en bevordering van de in lid
1 genoemde rechten draagt de overheid zorg voor
een sluitend en geïntegreerd stelsel van
opvoedingsfacilitering, jeugdzorg en pleeg- en
adoptiezorg en jeugdbescherming.
3. De wet stelt regels omtrent de aanspraken van
opvoeders op financiële en overige ondersteuning
en hulp bij de opvoeding alsmede omtrent de
bevoegdheden en verplichtingen van de overheid
ter zake van de voorkoming van onnodig leed en
vermijdbare schade aan de ontwikkeling van het
kind.
Dwang
Een sluitend stelsel heeft als
sluitstuk dwang. Daarover nog enkele woorden.
Door opvoedingsfacilitering en goede jeugdzorg
kan in veel gevallen dwang - en stigmatisering -
worden voorkomen. Om nog maar eens enkele
preventieve zaken te noemen: prenatale
huisbezoeken met informatie over voorzieningen
en ondersteuning; oudergroepen met informatie en
feedback over kindontwikkeling en
kind-identificatie, en over 1001 praktische en
pedagogische zaken; gespreksgroepen over
opvoeden hier-en-nu en de eigen jeugd vroeger,
of nog niet zo heel lang geleden; ruime
verlofmogelijkheden voor ouders; extra
opvoedgeld voor alleenstaande moeders (en
vaders), zodat geen kind in dit rijke land in
armoede hoeft op te groeien; praktische en
pedagogische thuishulp; therapie, coaching en
gezinsbegeleiding - als dat nodig is intensief,
als dat nodig is jarenlang, als dat nodig is
(bij psychiatrische problemen, bij
verslavingsproblemen, bij rand- of
zwakbegaafdheid) intensief én jarenlang. Al deze
voorzieningen en vele andere die nog kunnen
worden of al zijn bedacht, zijn te beschouwen
als een direct uitvloeisel van het recht van het
kind op preventie.
Dwang ofwel jeugdbescherming - dat wil zeggen
hulpoplegging door de rechter - is daarbij
sluitstuk, laatste middel dat wordt gehanteerd
om minimale persoonswording te waarborgen als
dat op andere wijze niet kan, als minimale
persoonswording anders niet kan worden
gewaarborgd. Want die waarborging, op een
minimaal (door wet en jurisprudentie nader te
bepalen) niveau, is rechtsplicht.
Vandaar de term 'persoonswordingsvindicatie':
het recht van het kind op interventie en
(eventueel) reparatie (kind- en
gezinsbehandeling) als preventie faalt. Waarmee
ik weer terug ben bij mijn openingsvraag. Tijd
dus om tot een conclusie te komen.
Conclusie
Er is geen zinlozer geweld
denkbaar dan kindermishandeling. Zinloos in de
zin van voorkoombaar. Zeker gezien de huidige
stand van de wetenschap met betrekking tot
ontwikkelingsbeschadiging en onze kennis van
geschikte 'methoden en technieken' van
informatie, zorg en hulpverlening. Waardoor we
opvoedingsondersteuning vroeger, massaler en
massiever kunnen aanbieden. Dat desondanks in
Nederland kinderrechten, hoewel ook hier op
grote schaal geschonden, geen issue zijn, is
niet alleen de schuld van ouders die menen dat
kinderen krijgen en opvoeden hun exclusieve
domein is. Want bij wie leggen wij de
verantwoordelijkheid een dergelijk rechtsgevoel
met internationale rechten van kinderen te
confronteren?
Prof. mr Jan C. M. Willems
NOTEN
1.
Seminar on corporal punishment of children
within the family, Straatsburg 21 november 2002,
interview met Peter Newell, promoter of the
Global Initiative to End All Corporal Punishment
of Children (zie ). Het interview is te vinden
op de website van de Raad van Europa:
2.
Zie in verband met persoonswording als nieuw
paradigma van kinderrechten, jeugd- en
familierecht: Jan C.M. Willems, 'Empowerment en
responsabilisering als positieve
opvoedingsvrijheid; Vier stellingen rond de
rechten van het kind', in: M. Reuling e.a.
(red.), Opvoeding, onderwijs & overheid; Thema's
uit de wijsgerige en historische pedagogiek, SWP,
Amsterdam 2002, p. 11-29. Zie ook noot 8 en noot
9.
3.
Jan C.M. Willems, 'Normen en Waarden? Voer het
Kinderrechtenverdrag uit! Een essay over
kinderbescherming', Nederlands Tijdschrift voor
Jeugdzorg 2002, nr 6, p. 308-321, op p. 315-317.
4.
Zie inmiddels ook het tweede statenrapport van
Nederland over de uitvoering van het VN-Verdrag
inzake de Rechten van het Kind op . Zie ook het
tweede 'schaduwrapport' van het
Kinderrechtencollectief: Opgroeien in de lage
landen - Kinderrechten in Nederland; Tweede
rapport van het Kinderrechtencollectief over de
implementatie van het VN-Verdrag inzake de
Rechten van het Kind in Nederland, Defence for
Children International (DCI), Afdeling
Nederland, Amsterdam mei 2002 (). Het zou een
goede zaak zijn als in navolging van de
Kalsbeek-rapportage bij het Vrouwenverdrag ook
bij het Kinderrechtenverdrag eerst aan het
parlement werd gerapporteerd (zie Jan C.M.
Willems, Wie zal de opvoeders opvoeden?
Kindermishandeling en het recht van het kind op
persoonswording, Den Haag: T.M.C. Asser Press
1999, p. 967-971).
5.
Vgl. A.W.M. Veldkamp, Over grenzen!
Internationaal vergelijkende verkenning van de
rol van de overheid bij de opvoeding en
bescherming van kinderen, Ministerie van
Justitie, Den Haag, juli 2001.
6.
Blijkens onder meer de discussie over het
(onverantwoorde) ouderschap van zwakzinnige
(verstandelijk gehandicapte) ouders. Vgl. voor
een verstandig (maar 'politiek niet helemaal
correct' en 'paternalistisch') standpunt in deze
discussie Dirk Duijzer, '[Verstandelijk]
gehandicapte vaak geen goede ouder', Trouw, de
Verdieping, 26 oktober 2002. Zie intussen ook de
ingezonden reacties op Mariël Croon, 'Het recht
van verstandelijk gehandicapten op kinderen',
NRC Handelsblad 7/8 december 2002, Zaterdags
Bijvoegsel, in die krant van 14/15 december
2002. Ook in NRC Handelsblad 21/22 december
2002, Zaterdags Bijvoegsel, verscheen nog een
tweetal brieven, waaronder de reactie van A.
Bood, secretaris van de Gezondheidsraad.
Aanleiding voor de discussie was het advies van
de Gezondheidsraad Anticonceptie voor mensen met
een verstandelijke handicap van 23 oktober 2002
(te downloaden via
www.gr.nl). De laatste twee brieven,
waaronder mijn reactie op A. Bood (onder de kop
van de redactie 'Kind is geen speeltje'),
verschenen in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC
Handelsblad van 4/5 januari 2003.
7.
David L. Chadwick, 'Community organization of
services to deal with and end child abuse', in:
John E.B. Myers e.a. (eds.), The APSAC Handbook
on Child Maltreatment, American Professional
Society on the Abuse of Children, Sage
Publications, Thousand Oaks etc. 2002 (2e
editie), p. 509-523, op p. 510.
8.
Zie in dit verband ook de belangwekkende
dissertatie van Annelies E. Henstra, Van
afstammingsrecht naar ouderschapsrecht, G.J.
Wiarda Instituut, Utrecht 2002.
9.
Zie Jan C.M. Willems, 'The children's law of
nations: The international rights of the child
in the Trias pedagogica', in: dez. (ed.),
Developmental and Autonomy Rights of Children;
Empowering Children, Caregivers and Communities,
Intersentia, Antwerpen etc. 2002, p. 69-102.
10.
Zie José Sagasser, 'Elk gezin een eigen
huispedagoog', Tijdschrift over
kindermishandeling 2002, nr 3, p. 19-20, en mijn
reactie daarop in nr 4, p. 18-19.
11.
Vgl. Jacques van der Gaag, 'From child
development to human development', in: Mary
Eming Young (ed.), From Early Child Development
to Human Development; Investing in Our
Children's Future, Proceedings of a World Bank
Conference, The World Bank, Washington, D.C.
2002, p. 63-78.
12.
Frank W. Putnam, 'Why is it so difficult for the
epidemic of child abuse to be taken seriously?'
In: Kris Franey, Robert Geffner and Robert
Falconer (eds.), The Cost of Child Maltreatment:
Who Pays? We All Do, Family Violence & Sexual
Assault Institute, San Diego 2001, p. 185-197,
op p. 194.
13.
Zie het rapport van Veldkamp (noot 5).
14.
Zie ook het Algemeen Commentaar op dit artikel
van het toezichthoudend VN-Comité in Genève: UN
Committee on the Rights of the Child, The Aims
of Education, General Comment No. 1, 2001,
CRC/GC/ 2001/1
www.unhchr.ch.
15.
Vgl. over kind-identificatie Lietje van
Blaaderen, Wat ouders niet weten; Hechting,
verlangen naar liefde en angst voor
liefdesverlies, Twello: Van Tricht 2001. Volgens
deze psychiater is de eerste pats op de luier of
de eerste tik op de vingers de eerste les in
geweld. Het boek is onderdeel van haar 'Project
Preventie van Geweld'. |