< Terug naar 'Blikveld'
 Stelling: Sociale Reconstructie

         
 
                                                                  

                                                                                                               Willemstad, 31 mei 2007

STELLINGEN:

1) ZONDER GEDURIGE SAMENSPRAAK TUSSEN KERK EN STAAT IS SOCIALE RECONSTRUCTIE ONMOGELIJK.

2) GRONDSLAGEN VOOR SAMENSPRAAK TOT SOCIALE RECONSTRUCTIE WORDEN GEVONDEN IN ENCYCLIEKEN EN R.K.-SOCIALE DOCTRINE.

3) ZONDER SUBSIDIARITEITSBEGINSEL KUNNEN DE GRONDSLAGEN VOOR SOCIALE RECONSTRUCTIE NIET WORDEN VERWERKELIJKT.

ZONDER MEER ONBEGRIJPELIJK?????

Laten we nogmaals artikel 142 Staatsregeling in zijn volle glorie naar voren halen, teneinde nogmaals duidelijk voor de geest te hebben, wat daar wel in staat.

Artikel 142

1. Het toezicht over het armwezen en de nodige voorzieningen daaromtrent worden bij landsverordening geregeld.

2. Daarbij wordt in acht genomen het beginsel, dat de bijzondere en kerkelijke liefdadigheid vrijgelaten en zoveel mogelijk bevorderd wordt.

Dat beginsel van het tweede lid, het SUBSIDIARITEITSBEGINSEL, het "VRIJLATEN EN BEVORDEREN" van bijzondere en kerkelijke liefdadigheid -dat is: "de dienst van de liefde", "caritas"- is een funderend grondrechtsbeginsel, dat ruim zestig jaren na de pauselijke encycliek "Rerum Novarum" niet voor niets in onze staatsregeling terecht kwam.

Ruim 115 jaren later vind dat beginsel verdere uitwerking in de encycliek “Deus Caritas Est”, en dat is ook niet voor niets!

Het gaat immers om het deliniëren van de verhouding van Kerk en Staat, wat aan aandachtssferen en zorggebieden aan de Kerk onderscheidenlijk aan de Staat zal dienen toekomen.

Hierbij dienen Kerk en Staat bezien te worden als tegendelen van elkaar en niet als tegenstellingen, ergo als synergistisch samenwerkenden delen van één geheel, en niet als “vijanden” van elkaar.

Vorengaande brengt met zich mee het aanvaarden van gepaste eerbied van het seculiere jegens het sacrale; een eerbied, welke wel eens teloor gaat in een maatschappij waar economische drijfveren de overhand schijnen te krijgen, en het begrip rechtvaardigheid zich beperkt tot “diegenen die hebben”, en waarbij de sociaal zwakken geen geintegreerd deel schijnen uit te mogen maken van onze samenleving.

Daar zit de pijn van “armoede” en “criminaliteit” gevolgen van afwezigheid van sociale zekerheid, van sociale integratie en van sociale cohaesie.

Thans dienen we te bezien hoe het Hoogste Kerkelijk Gezag de verhouding tussen Kerk en Staat definiëert, om van daar uit te bezien wat “vrijgelaten” en wat “bevorderd” dient te worden.

Ik verwijs naar de paragrafen 25 tot en met 31 van laatstgenoemde encycliek, welke ik voor de echt belangstellenden als “integraal tekstdeel” aan deze e-mail hecht, en beveel deswege ter overdenking aan de onderstaande citaten, welke de uitkomst zijn van meer dan honderd jaren goed en grondig nadenken door tien elkaar opvolgende pausen vanaf Paus Leo XIII tot Paus Benedictus XVI.

Bijzonderlijk verwijs ik naar kennisneming van paragraaf 28, welke ik om zijn uitzonderlijk belang in zijn geheel weergeef.

 

STELLINGEN:

1) ZONDER GEDURIGE SAMENSPRAAK TUSSEN KERK EN STAAT IS SOCIALE RECONSTRUCTIE ONMOGELIJK.

2) GRONDSLAGEN VOOR SAMENSPRAAK TOT SOCIALE RECONSTRUCTIE WORDEN GEVONDEN IN ENCYCLIEKEN EN R.K.-SOCIALE DOCTRINE.

3) ZONDER SUBSIDIARITEITSBEGINSEL KUNNEN DE GRONDSLAGEN VOOR SOCIALE RECONSTRUCTIE NIET WORDEN VERWERKELIJKT.

NOG STEEDS ONBEGRIJPELIJK?????

 

Geciteerd:

25. We hebben aan onze overwegingen twee wezenlijke inzichten overgehouden:

a. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige

opdracht: de verkondiging van Gods Woord (/kerygma-martyria/), het vieren van de sacramenten (/leiturgia/), de dienst van de liefde (/diakonia/). Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen (17).

b. De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen noodlijdenden zijn. [.....].

*/Gerechtigheid en liefde/*

26. [.....]. De armen, zo wordt gezegd, hebben geen behoefte aan liefdadigheid maar aan gerechtigheid. [.....]. Het is juist dat het basisprincipe van de staat het streven naar gerechtigheid moet zijn en dat het doel van een rechtvaardige sociale orde is, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, iedereen zijn aandeel in de goederen van de gemeenschap te garanderen. Dat heeft de christelijke staatsleer en sociale leer ook altijd benadrukt. [.....].

27. [.....]. In de moeilijke situatie waarin wij ons vandaag de dag bevinden, juist ook ten gevolge van de globalisering van de economie, is de sociale leer van de Kerk een fundamentele richtlijn geworden, die oriëntatie biedt ook ver buiten de Kerk. [.....].

28. Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele feiten in beschouwing genomen worden:

a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei: “/Remota itaque iustitia quid sunt regna nisi magna

latrocinia?/”(18) Fundamenteel voor het christendom is het onderscheid tussen wat de keizer toekomt en wat God toekomt (vgl. Mt 22,21), dat wil zeggen de scheiding tussen Kerk en staat of, zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt, de autonomie van het aardse(19). De staat mag de godsdienst niet voorschrijven, doch moet de vrijheid en de vrede van de aanhangers van verschillende godsdiensten onderling waarborgen. De Kerk als sociale uitdrukking van het christelijk geloof is van haar kant onafhankelijk en leeft vanuit het geloof in haar vorm van gemeenschap, die door de staat gerespecteerd moet worden. De twee domeinen moeten onderscheiden worden maar zijn wel op elkaar betrokken.

Gerechtigheid is het doel en vandaar ook de innerlijke maatstaf van alle politiek. De politiek is meer dan een mechanisme om het openbare leven te regelen, doch heeft als oorsprong en doel juist de gerechtigheid en die heeft betrekking op de ethiek. Zo is het voor de staat bijna onontkoombaar zich steeds weer af te vragen: Hoe moet de gerechtigheid hier en nu verwezenlijkt worden? Maar die vraag vooronderstelt een andere, fundamentelere vraag: Wat is gerechtigheid? Dit is een vraag van de praktische rede, maar om goed te functioneren moet de rede steeds weer gezuiverd worden, want de kans dat de rede ethisch verblind wordt door het zegevieren van bepaalde belangen en macht is een nooit geheel uit te bannen gevaar.

Hier raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft zeker zijn eigen wezen als ontmoeting met de levende God – een ontmoeting die voor ons nieuwe horizonten ontsluit, die veel verder reiken dan de rede. Maar het geloof is tegelijk ook een reinigende kracht voor de rede zelf. Het geloof bevrijdt de rede vanuit het perspectief van God van de verblinding en helpt die aldus beter zichzelf te zijn. Het geloof stelt de rede in staat haar eigen werk beter te doen en wat haar eigen is beter te zien. Dit is precies de plek voor het inzetten van de katholieke sociale leer. Deze wil de Kerk geen macht over de staat geven; ze wil evenmin inzichten en gedragingen die bij het geloof horen opdringen aan hen die dit geloof niet delen. Ze wil eenvoudigweg bijdragen tot de zuivering van de rede en erbij helpen dat datgene wat juist is hier en nu kan worden herkend en dan ook uitgevoerd.

De sociale leer van de Kerk redeneert op basis van de rede en de natuurwet, dat wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is voor alle mensen. En de Kerk weet dat het niet haar opdracht is zelf deze leer politiek door te zetten. Ze wil de gewetensvorming in de politiek dienen en ertoe bijdragen dat de heldere kijk op de ware vereisten van de gerechtigheid toeneemt en tegelijk ook de bereidheid vanuit de gerechtigheid te handelen, zelfs als dat in strijd is met de belangen van brede lagen van de bevolking. Dat betekent echter dat het vestigen van een rechtvaardige maatschappelijke en staatsrechtelijke orde waardoor ieder het zijne krijgt een fundamentele opgave is, die iedere generatie weer op zich moet nemen. Daar het om een politieke opgave gaat, kan dit niet rechtstreeks een opdracht van de Kerk zijn. Daar het echter tegelijkertijd een fundamentele menselijke opdracht is, heeft de Kerk de plicht op haar manier, door de zuivering van de rede en door ethische vorming, haar bijdrage te leveren, zodat de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en politiek haalbaar worden.

De Kerk kan en mag zich de politieke strijd niet toe-eigenen, om een zo rechtvaardig mogelijke samenleving te verwezenlijken. Ze kan en mag de staat niet vervangen. Maar ze kan en mag in de strijd om gerechtigheid ook niet afzijdig blijven. In de strijd van de rede moet ze zich mengen langs de weg van de argumentatie, en ze moet de geestelijke krachten opwekken zonder welke de gerechtigheid, die altijd ook offers vraagt, geen ingang kan vinden en evenmin kan gedijen. Een rechtvaardige maatschappij kan niet het werk van de Kerk zijn, doch moet door de politiek bewerkt worden. Maar de inzet voor de gerechtigheid door een opening van kennis en wil te creëren voor de eisen van het goede is wel geheel en al haar zaak.

b. Liefde – /caritas – /zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het punt de mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en hulp vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig is(20). De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt wordt uiteindelijk een bureaucratische instantie, die het wezenlijke niet kan geven dat de lijdende mens – iedere mens – nodig heeft: liefdevolle persoonlijke aandacht. We hebben geen behoefte aan een alles regelende en beheersende staat, maar aan een staat die, volgens het subsidiariteitsbeginsel, edelmoedig initiatieven erkent en steunt, die uit de verschillende maatschappelijke krachten voortkomen en spontaniteit verbinden met het nabij zijn aan de mens die hulp nodig heeft. De Kerk is zo’n levende kracht. In haar leeft de dynamiek van de door de Geest van Christus ontstoken liefde, die de mens niet alleen materiële hulp, maar ook sterking en genezing van de ziel biedt, die dikwijls nog noodzakelijker is dan de materiële ondersteuning. Achter de bewering dat rechtvaardige structuren de liefdadigheid overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch mensbeeld schuil, het bijgeloof dat de mens “van brood alleen” leeft (Mt 4,4; vgl. Dt 8,3) – een overtuiging die de mens verlaagt en juist het specifiek menselijke miskent.

29. [.....] bepalen wat [.....] de verhouding is tussen [.....] rechtvaardige ordening van staat en maatschappij aan de ene kant en de georganiseerde liefdadigheid aan de andere kant. [.....] het vestigen van rechtvaardige structuren (is) geen rechtstreekse opdracht van de Kerk (....), maar (behoort) tot de orde van de politiek – van de zelfverantwoordelijke rede – (.....). De Kerk heeft [.....] een indirecte opdracht [.....] bij te dragen tot de zuivering van de rede en het opwekken van de morele krachten [.....].

De rechtstreekse opgave te werken voor een rechtvaardige ordening van de samenleving komt daarentegen speciaal aan de lekengelovigen toe. [.....] activiteit welke gericht is op de organische en institutionele bevordering van het algemeen welzijn”(21). [.....] en met de andere burgers ieder naar eigen deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid samenwerken(22). [.....].

De caritatieve organisaties van de Kerk vormen daarentegen een /opus proprium/, één van haar hoogsteigen opdrachten, [.....].

*/De veelsoortige structuren van de dienst van de liefde in het huidige sociale milieu/*

30. Voordat ik probeer het specifieke profiel van de kerkelijke activiteiten in dienst van de mens te definiëren, wil ik een blik werpen op de algemene toestand wat betreft de strijd voor gerechtigheid en liefde in de huidige wereld.

a. [.....]: “In deze tijd nu de communicatiemiddelen immers sneller zijn, de afstand tussen de mensen in zekere zin overwonnen is kan en moet caritatief werk alle mensen zonder uitzondering insluiten en alle noden waar dan ook”(24).

[.....]: “Als tijdsverschijnsel verdient het groeiende en onstuitbare solidariteitsgevoel van alle volkeren bijzondere vermelding”(25). [.....].

b. [.....]. Zo zijn er in dit verband ook veelsoortige organisaties met caritatieve of filantropische doelstellingen opgericht die zich inzetten om, gelet op de bestaande politieke en sociale problemen, vanuit humanitair oogpunt tot bevredigende oplossingen te komen. [.....].

[.....]. De Encycliek/ Ut unum sint/ beklemtoont dan nogmaals dat voor een betere ontwikkeling van de wereld de gemeenschappelijke stem en de inzet van de christenen nodig is opdat “de rechten en noden van alle mensen geëerbiedigd worden, met name van de armen, de mensen zonder aanzien, de weerlozen”(29). [.....].

*/Het specifieke profiel van de kerkelijke liefdadigheid/*

31. [.....] het gebod van de naastenliefde (is) door de Schepper in de natuur van de mens zelf gegrift (.....). [.....]. Wat zijn dan nu de essentiële elementen van de christelijke en kerkelijke liefdadigheid.

a. [.....] allereerst eenvoudigweg het antwoord op datgene wat in een concrete situatie onmiddellijk nodig is: de hongerigen moeten te eten krijgen, de naakten moeten gekleed worden, de zieken medisch behandeld, de gevangenen bezocht, enzovoort. [.....]. Vakkundigheid is een eerste, fundamenteel vereiste, maar is op zich niet genoeg. Het gaat immers om mensen en mensen hebben meer nodig dan alleen een technisch juiste behandeling. Ze hebben behoefte aan menselijkheid. Ze hebben behoefte aan liefdevolle toewijding. [.....].

b. Christelijke liefdadigheid moet onafhankelijk zijn van partijen en ideologieën. Het is geen middel om een ideologisch gestuurde verandering in de wereld tot stand te brengen en staat niet in dienst van wereldlijke strategieën, maar is hier en nu de presentstelling van de liefde, waar de mens altijd behoefte aan heeft. [.....]. Men draagt alleen bij tot een betere wereld als men nu zelf het goede doet, met passie en overal waar de mogelijkheid zich voordoet, onafhankelijk van partijstrategieën en -programma’s. [.....].

c. Bovendien mag in praktijk gebrachte naastenliefde geen middel zijn voor wat men tegenwoordig aanduidt als proselitisme. De liefde is om niet. Ze wordt niet beoefend om er andere doelen mee te bereiken(30).

[.....].

Einde citaat.

STELLINGEN:

1) ZONDER GEDURIGE SAMENSPRAAK TUSSEN KERK EN STAAT IS SOCIALE RECONSTRUCTIE ONMOGELIJK.

2) GRONDSLAGEN VOOR SAMENSPRAAK TOT SOCIALE RECONSTRUCTIE WORDEN GEVONDEN IN ENCYCLIEKEN EN R.K.-SOCIALE DOCTRINE.

3) ZONDER SUBSIDIARITEITSBEGINSEL KUNNEN DE GRONDSLAGEN VOOR SOCIALE RECONSTRUCTIE NIET WORDEN VERWERKELIJKT.

INMIDDELS BEGRIJPELIJK?????

Berend W. Scheperboer

 

Copyright ©   2006 - 2009  All Rights Reserved