< Back to Dutch & Caribbean News
 Relaties moeten minder Ambtelijk In Dutch

 

Relaties moeten minder ambtelijk’

                                                                                           
Bron: 20 November 2007 Amigoe.com

WILLEMSTAD — De relaties binnen het Koninkrijk worden door een sterke verambtelijking gekenmerkt, een opstelling die alles behalve effectief is gebleken, concludeert het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA (WI) in het rapport Naar een Salsa op klompen over de toekomst van het Koninkrijk der Nederlanden dat vandaag is aangeboden aan de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties, Ank Bijleveld-Schouten (ook CDA). In het rapport van een commissie onder leiding van Hans Hillen wordt onder meer gepleit voor een sociaal zekerheidsstelsel, een Koninkrijksfonds, een UPG-status voor de eilanden en meer samenwerking op allerlei gebied.

“De laatste jaren zijn de relaties binnen het Koninkrijk verworden tot een continu bestuurlijk gedomineerd onderhandelingsproces. Enerzijds verbindt Nederland harde eisen aan de financiële middelen die het verstrekt op het gebied van de openbare financiën, rechtshandhaving en deugdelijkheid van bestuur. Anderzijds wordt vanuit Antilliaanse en Arubaanse zijde een beroep gedaan op de zo gekoesterde door het Statuut gewaarborgde autonomie van elk van de Koninkrijkspartners. In plaats van een gemeenschappelijk gevoel van historische verbondenheid, is meer het idee dat ‘we tot elkaar zijn veroordeeld’”, aldus de commissie.

CDA is de grootste Nederlandse regeringspartij. Partijleider is Jan Peter Balkenende, die tevens premier en voorzitter van de Rijksministerraad is.

De weg van ontmanteling van het Koninkrijk lijkt afgesloten. De ervaringen met Suriname laten zien dat ook onafhankelijkheid geen panacee is voor alle kwalen die er op dat moment zijn, stelt het WI. Daarom moet de vraag gesteld worden: ‘Waar willen we heen met het Koninkrijk?’ “Door het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het Koninkrijk, door het richten van de blik naar voren en door de knellende banden van het verledenaf te leggen, kan een hecht gefundeerd Koninkrijk der Nederlanden ontstaan.”

Zowel de Antillen als Aruba kampen met hoge bestuurskosten, schrale voorzieningen, een structureel begrotingstekort en een oplopende staatsschuld, somt de commissie op. “Enerzijds is de bestuurlijke cultuur niet erg efficiënt, zijn de voorrechten van sommige beroepsgroepen onevenredig en is de benoemingscultuur weinig transparant. Anderzijds zijn er grote gaten in de handhaving en is er sprake van grote sociaal-economische achterstanden bij delen van de bevolking. Er zijn dus werkelijk serieuze problemen, die om een antwoord vragen. Daarnaast kunnen de economische mogelijkheden van de afzonderlijke eilanden beter worden benut dan tot nu toe gebeurt.”

Op verschillende niveaus is volgens het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA verbetering van de samenwerking wenselijk. In het kader van het waarborgen van deugdelijkheid van bestuur en de democratische beginselen (een Koninkrijksaangelegenheid volgens het Statuut) moeten Nederlandse politieke partijen de mogelijkheid krijgen om ideologisch verwante politieke partijen op de eilanden gedurende een overgangsperiode te ondersteunen, vinden de commissieleden. Op parlementair niveau zouden de secretariaten van de parlementen permanent samen moeten werken, bijvoorbeeld door middel van een gezamenlijke database voor de parlementen (Parlatino is hier mee bezig, meldt het WI). Ook zouden er permanente gezamenlijke (parlementaire) werkgroepen op specifieke terreinen moeten worden ingesteld.

Op regerings- en bestuurlijk niveau zouden er afspraken moeten komen voor een geïnstitutionaliseerd periodiek overleg. “Na het formuleren van een toekomstvisie dient een agenda voor het Koninkrijk te worden opgesteld met

benchmarks. Een nieuw in te stellen ‘Koninkrijkssecretariaat’ dient belast te worden met de bewaking van de agenda. Als ‘kick off’ van een proces van vernieuwde samenwerking kan op initiatief van niet-gouvernementele organisaties een soort ‘Bilderbergconferentie’ worden gehouden met economen, juristen en politici zonder vaste agenda. Wat op Koninkrijksniveau op politiek gebied vooral mist, is dat er niet aan teamvorming wordt gedaan. Het Koninkrijk zou er baat hebben bij wanneer sleutelfiguren zich een periode zouden terugtrekken met elkaar en banden zouden smeden.”

KONINKRIJKSFONDS

De commissie stelt voor om een Koninkrijksfonds in te stellen. Het doel van dit fonds is de nadelige schaaleffecten van de eilanden op basis van objectieve maatstaven te corrigeren. Het gaat om een permanent fonds, dat voortkomt uit een andere gedachte dan waarop de financiële steun in het verleden was gebaseerd. “Toen werd tijdelijke ontwikkelingshulp geboden vanuit de gedachte dat die slechts nodig zou zijn totdat de landen zelfredzaam zouden zijn. Het fonds belichaamt juist de erkenning dat sommige lasten samen gedragen moeten worden, uitgaande van de eenheidsgedachte in het Koninkrijk, en veronderstelt gelijkwaardigheid van de partners. Het gaat daarom ten principale niet om een permanente begrotingsbijdrage vanuit Nederland, maar om een verevening van kosten die samenhangen met specifieke omstandigheden zoals schaal en ligging. Het fonds verevent namelijk onvermijdelijk bovenmatige vaste kosten van alle publieke taken in het Koninkrijk in de eigen valuta.”

In de slotverklaring van 2 november 2006 wordt geopperd om een Overheidskredietbank, een Koninkrijksorgaan, op te richten die onder andere het tweedelijnstoezicht op de openbare financiën als taak heeft. De commissie: “Hoewel de figuur van een overheidsbank geen onbekende is – we kennen de Bank Nederlandse Gemeenten en de Waterschapsbank – is een koppeling met het tweedelijnstoezicht op de begroting merkwaardig. De eigen adviesorganen dreigen zo te worden overvleugeld met alle gevolgen van demotivatie van dien. Bovendien creëert het een nieuwe bestuurslaag na het opheffen van de Antillen.” Erkend moet volgens het instituut wel worden dat er tegenover de overeengekomen schuldsanering ‘sluitende garanties’ moeten staan.

Het instituut vindt dat de overheid voor de niet-actieven, die niet meer of nog niet betaalde arbeid kunnen verrichten, ‘een bodem in het bestaan’ zou moeten leggen. “Omwille van de solidariteit, maar ook omdat het bijdraagt aan de sociale cohesie.” De commissie is van oordeel dat de afstand van het sociale minimum tot het minimumloon in elk deel van het Koninkrijk niet meer dan de helft mag bedragen. Deze nieuwe bodem in het bestaan moet zo spoedig mogelijk na de schuldsanering worden bereikt. Zo nodig dient deze norm in een Rijkswet te worden vastgelegd. “Voor de commissie is deze aanvullende eis – gekoppeld aan de eisen van schuldsanering – uiting van een maatstaf van wat ons in het Koninkrijk behoort te verbinden: waardig deel kunnen nemen aan de samenleving, ook als men is aangewezen op een uitkering.”

UPG-STATUS

De status van Ultraperifere Gebieden (UPG) voor de Rijkseilanden, die nu de status hebben van Landen en Gebieden Overzee (LGO), is volgens het rapport wenselijk. “De LGO-status bood in het verleden wellicht nog handelsvoordelen, maar dat is steeds minder het geval. De UPG-status kan de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en St. Maarten op een constructieve wijze begeleiden op de weg van verdere integratie in de Europese Unie. Vermindering van autonomie gebeurt dan onder de zachte druk van Europa, zonder dat gevoeligheden de relatie met Nederland in de weg zitten. Vrijwillige toetreding van de Caribische rijksdelen tot de Europese Unie betekent ook dat zij de Europese regels accepteren op het gebied van goed bestuur, rechtstatelijkheid, samenwerking op justitieel gebied enzovoort.”

Als UPG zouden de eilanden eenzelfde weg kunnen gaan als Nederland. Nederland heeft de afgelopen tientallen jaren ook veel zeggenschap overgedragen aan Europa. De afhankelijkheid van grotere verbanden is toegenomen. “In ruil voor die verminderde autonomie maakt Nederland met succes deel uit van een interne markt en leven zijn inwoners in veiligheid.” Het rapport besluit met de constatering dat ‘met de recente staatkundige hervormingen een belangrijke stap voorwaarts is gezet om de toekomst van het Koninkrijk der Nederlanden te funderen op meer wederzijds begrip, op meer evenwichtige verhoudingen en op meer kwaliteit van de betrokken samenlevingen’. “Het komt nu aan op durf, daadkracht, inzicht en geloof in het vermogen om gezamenlijk binnen ons Koninkrijk op te trekken.”

 

Copyright © 2007-08.
All Rights Reserved.