< Terug naar Berend Scheperboer
Deus Caritas Est Paragraaf 25 t/m 31 In Dutch

 

opgemelde paragrafen uit meergemelde encycliek

                                                                                                              Berend W. Scheperboer

 

25. We hebben aan onze overwegingen twee wezenlijke inzichten overgehouden:

a. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord (kerygma-martyria), het vieren van de sacramenten (leiturgia), de dienst van de liefde (diakonia). Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen(17).

b. De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen noodlijdenden zijn. Tegelijkertijd overschrijdt caritas-agape echter de grenzen van de Kerk. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan blijft maatstaf en gebiedt de universele liefde, die zich wendt naar de behoeftige die men ‘toevallig’ ontmoet (vgl. Lc 10,31), wie hij ook is. Zonder ook maar iets af te doen aan de universaliteit van het gebod tot liefde, heeft de Kerk toch ook een speciale opdracht – dat in de Kerk zelf, als één familie, geen van de kinderen gebrek mag lijden. Hier geldt het woord uit de Brief aan de Galaten: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten” (6,10).

Gerechtigheid en liefde

26. Sinds de negentiende eeuw wordt er tegen de kerkelijke liefdadigheid een bezwaar aangevoerd dat dan vooral door het marxistische denken nadrukkelijk ontwikkeld is. De armen, zo wordt gezegd, hebben geen behoefte aan liefdadigheid maar aan gerechtigheid. Liefdadigheid – aalmoezen geven – zou in feite de manier zijn waarop de rijken zich onttrekken aan de totstandkoming van de gerechtigheid, hun geweten sussen, vasthouden aan hun eigen positie en de armen hun recht ontfutselen. Liever dan door middel van individuele liefdadigheid mee te werken aan het in stand houden van de bestaande verhoudingen, zou er een rechtvaardige structuur geschapen moeten worden, waarin alle mensen hun aandeel in de goederen van de wereld krijgen en daardoor geen behoefte meer hebben aan liefdadigheid. Toegegeven, er zit wel iets in dit argument, maar er is ook veel mis mee. Het is juist dat het basisprincipe van de staat het streven naar gerechtigheid moet zijn en dat het doel van een rechtvaardige sociale orde is, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, iedereen zijn aandeel in de goederen van de gemeenschap te garanderen. Dat heeft de christelijke staatsleer en sociale leer ook altijd benadrukt. De vraag van de rechtvaardige ordening van de gemeenschap is – historisch gezien – met de ontwikkeling van de geïndustrialiseerde maatschappij in de negentiende eeuw in een nieuwe situatie geraakt. Het ontstaan van de moderne industrie heeft de oude maatschappelijke structuren uiteen doen vallen en met de massa arbeiders die afhankelijk zijn van loon een radicale verandering in de samenstelling van de maatschappij teweeg gebracht, waarin de verhouding tussen kapitaal en arbeid de beslissende vraag werd, die er voordien in deze vorm niet geweest was. Productiemiddelen en kapitaal vormden nu de nieuwe macht die, in de handen van weinigen gelegd, tot rechteloosheid van de werkende massa’s leiden, waartegen deze in opstand moesten komen.

27. We moeten toegeven dat de vertegenwoordigers van de Kerk pas geleidelijk opgemerkt hebben dat de vraag aangaande de rechtvaardige structuur van de samenleving op een nieuwe manier werd gesteld. Er waren wegbereiders. Eén van hen was bijvoorbeeld bisschop Ketteler van Mainz († 1877). Als antwoord op de concrete noden ontstonden er kringen, verenigingen, verbanden, federaties en bovenal nieuwe religieuze congregaties die in de negentiende eeuw de strijd tegen armoede, ziekte en gebrekkig onderwijs aanbonden. Het pauselijk leergezag trad in 1891 naar buiten met de door Leo XIII gepubliceerde Encycliek Rerum novarum. Daarop volgde in 1931 de Encycliek van Pius XI Quadragesimo anno. De zalige paus Johannes XXIII publiceerde in 1961 zijn Encycliek Mater et magistra, terwijl Paulus VI in de Encycliek Populorum progressio (1967) en in de apostolische Brief Octogesima adveniens (1971) nadrukkelijk op de sociale problematiek inging, die nu in het bijzonder acuut geworden is in Latijns Amerika. Mijn grote voorganger Johannes Paulus II heeft ons een trilogie van sociale Encyclieken nagelaten: Laborem exercens (1981), Sollicitudo rei socialis (1987) en ten slotte Centesimus annus (1991). Zo is gestaag, door het in gesprek gaan met steeds nieuwe situaties en problemen een katholieke sociale leer gegroeid, die in het door de ‘Pauselijke Raad voor Gerechtigheid en Vrede (Justitia et Pax)’ in 2004 gepresenteerde Compendium van de sociale leer van de Kerk op samenhangende wijze geschetst is. Het marxisme had de wereldrevolutie en de voorbereiding daarvan voorgesteld als het universeel geneesmiddel voor de sociale problematiek. Door de revolutie en door de daarmee verbonden collectivisering van de productiemiddelen zou – aldus deze leer – plotseling alles anders en beter worden. Deze droom is vervlogen. In de moeilijke situatie waarin wij ons vandaag de dag bevinden, juist ook ten gevolge van de globalisering van de economie, is de sociale leer van de Kerk een fundamentele richtlijn geworden, die oriëntatie biedt ook ver buiten de Kerk. In het licht van de voortschrijdende ontwikkeling moet, in samenspraak met allen die serieus zorg dragen voor de mens en zijn wereld, gemeenschappelijk gestreden worden aan de hand van deze oriëntatie.

28. Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele feiten in beschouwing genomen worden:

a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei: “Remota itaque iustitia quid sunt regna nisi magna latrocinia?”(18) Fundamenteel voor het christendom is het onderscheid tussen wat de keizer toekomt en wat God toekomt (vgl. Mt 22,21), dat wil zeggen de scheiding tussen Kerk en staat of, zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt, de autonomie van het aardse(19). De staat mag de godsdienst niet voorschrijven, doch moet de vrijheid en de vrede van de aanhangers van verschillende godsdiensten onderling waarborgen. De Kerk als sociale uitdrukking van het christelijk geloof is van haar kant onafhankelijk en leeft vanuit het geloof in haar vorm van gemeenschap, die door de staat gerespecteerd moet worden. De twee domeinen moeten onderscheiden worden maar zijn wel op elkaar betrokken.

Gerechtigheid is het doel en vandaar ook de innerlijke maatstaf van alle politiek. De politiek is meer dan een mechanisme om het openbare leven te regelen, doch heeft als oorsprong en doel juist de gerechtigheid en die heeft betrekking op de ethiek. Zo is het voor de staat bijna onontkoombaar zich steeds weer af te vragen: Hoe moet de gerechtigheid hier en nu verwezenlijkt worden? Maar die vraag vooronderstelt een andere, fundamentelere vraag: Wat is gerechtigheid? Dit is een vraag van de praktische rede, maar om goed te functioneren moet de rede steeds weer gezuiverd worden, want de kans dat de rede ethisch verblind wordt door het zegevieren van bepaalde belangen en macht is een nooit geheel uit te bannen gevaar.

Hier raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft zeker zijn eigen wezen als ontmoeting met de levende God – een ontmoeting die voor ons nieuwe horizonten ontsluit, die veel verder reiken dan de rede. Maar het geloof is tegelijk ook een reinigende kracht voor de rede zelf. Het geloof bevrijdt de rede vanuit het perspectief van God van de verblinding en helpt die aldus beter zichzelf te zijn. Het geloof stelt de rede in staat haar eigen werk beter te doen en wat haar eigen is beter te zien. Dit is precies de plek voor het inzetten van de katholieke sociale leer. Deze wil de Kerk geen macht over de staat geven; ze wil evenmin inzichten en gedragingen die bij het geloof horen opdringen aan hen die dit geloof niet delen. Ze wil eenvoudigweg bijdragen tot de zuivering van de rede en erbij helpen dat datgene wat juist is hier en nu kan worden herkend en dan ook uitgevoerd.

De sociale leer van de Kerk redeneert op basis van de rede en de natuurwet, dat wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is voor alle mensen. En de Kerk weet dat het niet haar opdracht is zelf deze leer politiek door te zetten. Ze wil de gewetensvorming in de politiek dienen en ertoe bijdragen dat de heldere kijk op de ware vereisten van de gerechtigheid toeneemt en tegelijk ook de bereidheid vanuit de gerechtigheid te handelen, zelfs als dat in strijd is met de belangen van brede lagen van de bevolking. Dat betekent echter dat het vestigen van een rechtvaardige maatschappelijke en staatsrechtelijke orde waardoor ieder het zijne krijgt een fundamentele opgave is, die iedere generatie weer op zich moet nemen. Daar het om een politieke opgave gaat, kan dit niet rechtstreeks een opdracht van de Kerk zijn. Daar het echter tegelijkertijd een fundamentele menselijke opdracht is, heeft de Kerk de plicht op haar manier, door de zuivering van de rede en door ethische vorming, haar bijdrage te leveren, zodat de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en politiek haalbaar worden.

De Kerk kan en mag zich de politieke strijd niet toe-eigenen, om een zo rechtvaardig mogelijke samenleving te verwezenlijken. Ze kan en mag de staat niet vervangen. Maar ze kan en mag in de strijd om gerechtigheid ook niet afzijdig blijven. In de strijd van de rede moet ze zich mengen langs de weg van de argumentatie, en ze moet de geestelijke krachten opwekken zonder welke de gerechtigheid, die altijd ook offers vraagt, geen ingang kan vinden en evenmin kan gedijen. Een rechtvaardige maatschappij kan niet het werk van de Kerk zijn, doch moet door de politiek bewerkt worden. Maar de inzet voor de gerechtigheid door een opening van kennis en wil te creëren voor de eisen van het goede is wel geheel en al haar zaak.

b. Liefde – caritas – zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het punt de mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en hulp vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig is(20). De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt wordt uiteindelijk een bureaucratische instantie, die het wezenlijke niet kan geven dat de lijdende mens – iedere mens – nodig heeft: liefdevolle persoonlijke aandacht. We hebben geen behoefte aan een alles regelende en beheersende staat, maar aan een staat die, volgens het subsidiariteitsbeginsel, edelmoedig initiatieven erkent en steunt, die uit de verschillende maatschappelijke krachten voortkomen en spontaniteit verbinden met het nabij zijn aan de mens die hulp nodig heeft. De Kerk is zo’n levende kracht. In haar leeft de dynamiek van de door de Geest van Christus ontstoken liefde, die de mens niet alleen materiële hulp, maar ook sterking en genezing van de ziel biedt, die dikwijls nog noodzakelijker is dan de materiële ondersteuning. Achter de bewering dat rechtvaardige structuren de liefdadigheid overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch mensbeeld schuil, het bijgeloof dat de mens “van brood alleen” leeft (Mt 4,4; vgl. Dt 8,3) – een overtuiging die de mens verlaagt en juist het specifiek menselijke miskent.

29. Zo kunnen we nu nader bepalen wat in het leven van de Kerk de verhouding is tussen de strijd voor de rechtvaardige ordening van staat en maatschappij aan de ene kant en de georganiseerde liefdadigheid aan de andere kant. Er is reeds gezegd dat het vestigen van rechtvaardige structuren geen rechtstreekse opdracht van de Kerk is, maar tot de orde van de politiek – van de zelfverantwoordelijke rede – behoort. De Kerk heeft hierin een indirecte opdracht in zover het haar toekomt bij te dragen tot de zuivering van de rede en het opwekken van de morele krachten zonder welke juiste structuren niet kunnen worden opgebouwd, noch op den duur kunnen functioneren.

De rechtstreekse opgave te werken voor een rechtvaardige ordening van de samenleving komt daarentegen speciaal aan de lekengelovigen toe. Als staatsburgers zijn ze geroepen persoonlijk aan het openbare leven deel te nemen. Ze kunnen niet afzien van deelname aan “de veelvoudige en gevarieerde economische, sociale, wetgevende, bestuurlijke en culturele activiteit welke gericht is op de organische en institutionele bevordering van het algemeen welzijn”(21). Het is ook de opdracht van de lekengelovigen het maatschappelijk leven op de juiste wijze gestalte te geven, waarbij ze de legitieme zelfstandigheid hiervan respecteren en met de andere burgers ieder naar eigen deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid samenwerken(22). Ofschoon de specifieke uitingsvormen van de kerkelijke liefdadigheid nooit gelijkgeschakeld mogen worden met de activiteiten van de staat, is het toch onbetwist dat de liefde het hele leven van de lekengelovigen moet bezielen en bijgevolg ook hun politieke werk in de zin van “sociale naastenliefde”(23) kenmerkt.

De caritatieve organisaties van de Kerk vormen daarentegen een opus proprium, één van haar hoogsteigen opdrachten, waarbij zij niet als medewerker fungeert, maar als rechtstreeks verantwoordelijke zelf handelt en datgene doet wat overeenstemt met haar wezen. Van de beoefening van de liefdadigheid als gemeenschappelijk geordende activiteit van de gelovigen kan de Kerk nooit vrijgesteld worden, en van de andere kant zal er ook nooit een situatie zijn waarin er geen behoefte is aan de praktische naastenliefde van iedere individuele christen, omdat de mens afgezien van gerechtigheid altijd liefde nodig heeft en nodig zal hebben.

De veelsoortige structuren van de dienst van de liefde in het huidige sociale milieu

30. Voordat ik probeer het specifieke profiel van de kerkelijke activiteiten in dienst van de mens te definiëren, wil ik een blik werpen op de algemene toestand wat betreft de strijd voor gerechtigheid en liefde in de huidige wereld.

a. De massamedia hebben onze planeet kleiner doen worden, door uiteenlopende mensen en culturen snel aanmerkelijk dichter bij elkaar te brengen. Ofschoon dit ‘samenleven’ af en toe tot onbegrip en spanningen leidt, vormt toch het feit dat we nu de noden van de mensen veel directer ervaren op de eerste plaats een oproep tot deelname aan hun situatie en aan hun moeilijkheden. Dagelijks worden we er ons van bewust hoeveel leed er tengevolge van veelsoortige materiële alsook geestelijke nood in de wereld is, en dat ondanks de grote vooruitgang op wetenschappelijk en technisch gebied. Bijgevolg wordt er in deze tijd, onze tijd, een nieuwe bereidheid gevraagd de noodlijdende naaste te helpen. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft dit al met zeer duidelijke woorden benadrukt: “In deze tijd nu de communicatiemiddelen immers sneller zijn, de afstand tussen de mensen in zekere zin overwonnen is … kan en moet caritatief werk alle mensen zonder uitzondering insluiten en alle noden waar dan ook”(24).

Van de andere kant – en dat is een uitdagend en tegelijk bemoedigend aspect van de globalisering – staan ons vandaag de dag ontelbare middelen ter beschikking, om onze noodlijdende broeders en zusters humanitaire hulp te doen toekomen, niet op de laatste plaats de moderne systemen voor de verdeling van voedsel en kleding, evenals het beschikbaar stellen van opvang- en huisvestingsmogelijkheden. Zo overstijgt de zorg voor de naaste de grenzen van nationale gemeenschappen en wordt ernaar gestreefd de horizon van die zorg uit te breiden tot de hele wereld. Terecht heeft het Tweede Vaticaans Concilie benadrukt: “Als tijdsverschijnsel verdient het groeiende en onstuitbare solidariteitsgevoel van alle volkeren bijzondere vermelding”(25). Overheidsinstanties en humanitaire verenigingen steunen dergelijke initiatieven, de eerstgenoemde door subsidies of belastingvermindering, de laatstgenoemde door aanzienlijke hoeveelheden geld ter beschikking te stellen. Op die manier overstijgt de solidariteit tot uitdrukking gebracht door de menselijke gemeenschap die van de enkeling aanzienlijk.

b. In deze situatie zijn er talrijke vormen van samenwerking tussen instanties van de staat en kerkelijke instanties ontstaan en gegroeid, die vruchtbaar zijn gebleken. De kerkelijke instanties kunnen met hun transparante manier van werken en de trouwe vervulling van hun plicht van de liefde te getuigen, ook de burgerlijke instanties met een christelijke geest bezielen en een wederzijdse afstemming bevorderen, die ongetwijfeld nuttig zal zijn voor de doeltreffendheid van de caritatieve dienst(26). Zo zijn er in dit verband ook veelsoortige organisaties met caritatieve of filantropische doelstellingen opgericht die zich inzetten om, gelet op de bestaande politieke en sociale problemen, vanuit humanitair oogpunt tot bevredigende oplossingen te komen. Een belangrijk verschijnsel van onze tijd is het ontstaan en de uitbreiding van allerlei vormen van vrijwilligerswerk, waardoor een grote verscheidenheid aan dienstverlening wordt overgenomen(27). Tot allen die in verschillende vormen aan deze activiteiten deelnemen, wil ik een bijzonder woord van erkenning en dankbaarheid richten. Deze wijdverbreide inzet is voor jongeren een school voor het leven die opvoedt tot solidariteit en tot de bereidheid niet zomaar wat, doch zichzelf te geven. De anticultuur van de dood, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in drugs, wordt hier tegemoet getreden door de liefde, die niet zichzelf zoekt, doch juist in de bereidheid zichzelf te verliezen voor anderen (vgl. Lc 17,33 e.v.) een cultuur van het leven blijkt te zijn.

Ook in de katholieke Kerk en in andere kerken en kerkelijke gemeenschappen zijn nieuwe vormen van charitatieve activiteit ontstaan en hebben reeds bestaande vormen nieuwe kracht gekregen – vormen waarin dikwijls een geslaagde link wordt gelegd tussen evangelisatie en liefdadigheid. Ik wil hier nadrukkelijk opnieuw bevestigen wat mijn grote voorganger Johannes Paulus II in zijn Encycliek Sollicitudo rei socialis(28) heeft geschreven, toen hij de bereidheid van de katholieke Kerk onderstreepte om met de charitatieve organisaties van deze kerken en gemeenschappen samen te werken, daar wij toch allen handelen vanuit dezelfde fundamentele motivatie en zo hetzelfde doel voor ogen hebben: een waar humanisme, dat in de mens het beeld van God herkent en hem wil helpen een leven te leiden in overeenstemming met deze waardigheid. De Encycliek Ut unum sint beklemtoont dan nogmaals dat voor een betere ontwikkeling van de wereld de gemeenschappelijke stem en de inzet van de christenen nodig is opdat “de rechten en noden van alle mensen geëerbiedigd worden, met name van de armen, de mensen zonder aanzien, de weerlozen”(29). Ik wil hier graag mijn vreugde tot uitdrukking brengen over het feit dat deze wens in de hele wereld in talrijke initiatieven uitgebreid weerklank gevonden heeft.

Het specifieke profiel van de kerkelijke liefdadigheid

31. Het toenemen van allerlei organisaties die zich inzetten voor de mens in zijn verschillende noden, kan verklaard worden uit het feit dat het gebod van de naastenliefde door de Schepper in de natuur van de mens zelf gegrift is. Het is echter ook een gevolg van de aanwezigheid van het christendom in de wereld, waardoor dit in de geschiedenis vaak zeer verduisterde gebod steeds weer gewekt en in praktijk gebracht wordt. Het hervormde heidendom van keizer Julianus de Afvallige is slechts een vroeg voorbeeld van dit effect. Zo reikt de kracht van het christendom ver over de grenzen van het christelijk geloof heen. Daarom is het des te belangrijker dat de kerkelijk charitatieve activiteit haar volle luister behoudt en niet eenvoudigweg wordt tot een variant van het algemene welzijnswerk. Wat zijn dan nu de essentiële elementen van de christelijke en kerkelijke liefdadigheid?

a. Naar het voorbeeld dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ons voor ogen houdt is christelijke liefdadigheid allereerst eenvoudigweg het antwoord op datgene wat in een concrete situatie onmiddellijk nodig is: de hongerigen moeten te eten krijgen, de naakten moeten gekleed worden, de zieken medisch behandeld, de gevangenen bezocht, enzovoort. De charitatieve organisaties van de Kerk – te beginnen met die van de (diocesane, nationale en internationale) ‘Caritas’ – moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat de benodigde middelen en bovenal de mensen die dit werk doen, beschikbaar zijn. Wat de dienstverlening van mensen aan de noodlijdenden betreft, daar is op de eerste plaats vakkundigheid voor nodig. De hulpverleners moeten zo getraind zijn dat ze weten wat ze moeten doen en dat goed doen, waarna ze de verdere verzorging op zich kunnen nemen. Vakkundigheid is een eerste, fundamenteel vereiste, maar is op zich niet genoeg. Het gaat immers om mensen en mensen hebben meer nodig dan alleen een technisch juiste behandeling. Ze hebben behoefte aan menselijkheid. Ze hebben behoefte aan liefdevolle toewijding. Voor allen die in de charitatieve organisaties van de Kerk actief zijn moet kenmerkend zijn dat ze niet alleen op kundige wijze doen wat er te doen staat, maar zich van harte aan de ander toewijden, zodat deze hun menselijke goedheid gewaar wordt. Daarom hebben deze helpers naast en bij de professionele vorming bovenal de vorming van het hart nodig. Ze moeten worden gebracht tot de ontmoeting met God in Christus, die de liefde in hen wekt en hun hart voor de naaste opent, zodat naastenliefde voor hen niet meer om zo te zeggen een van buitenaf opgelegd gebod is, maar het gevolg van hun geloof, dat zich uit in de liefde (vgl. Gal 5,6).

b. Christelijke liefdadigheid moet onafhankelijk zijn van partijen en ideologieën. Het is geen middel om een ideologisch gestuurde verandering in de wereld tot stand te brengen en staat niet in dienst van wereldlijke strategieën, maar is hier en nu de presentstelling van de liefde, waar de mens altijd behoefte aan heeft. De moderne tijd wordt, vooral sinds de 19de eeuw, beheerst door verschillende varianten van een filosofie van de vooruitgang, waarvan de radicaalste vorm het marxisme is. Bij de marxistische strategie hoort de Verelendungstheorie. Die stelt dat wie in een situatie van onrechtvaardige heerschappij de mens charitatief helpt, zich in feite dienstbaar maakt aan het bestaande systeem van onrecht, omdat hij dat schijnbaar dragelijk maakt, tenminste tot op zekere hoogte. Zo wordt het revolutionaire potentieel afgeremd en de omwenteling die tot een betere wereld moet leiden tegengehouden. Daarom wordt charitatieve inzet als systeembevestigend gebrandmerkt en aangevochten. In feite is dit een filosofie van onmenselijkheid. De nu levende mens wordt geofferd aan de moloch van de toekomst, een toekomst waarvan het op zijn minst twijfelachtig is of die ooit zal aanbreken. In werkelijkheid kan de menselijkheid van de wereld niet bevorderd worden doordat men haar voorlopig stil legt. Men draagt alleen bij tot een betere wereld als men nu zelf het goede doet, met passie en overal waar de mogelijkheid zich voordoet, onafhankelijk van partijstrategieën en -programma’s. Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is ‘het hart dat ziet’. Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar. Als de charitatieve activiteit van de Kerk als gemeenschappelijk initiatief wordt uitgevoerd, zijn afgezien van de spontaniteit van het individu vanzelfsprekend ook planning, voorzorgsmaatregelen en samenwerking met andere soortgelijke instellingen noodzakelijk.

c. Bovendien mag in praktijk gebrachte naastenliefde geen middel zijn voor wat men tegenwoordig aanduidt als proselitisme. De liefde is om niet. Ze wordt niet beoefend om er andere doelen mee te bereiken(30). Dat betekent echter niet dat bij charitatieve activiteit God en Christus om zo te zeggen terzijde geschoven moeten worden. De hele mens is immers in het spel. Dikwijls is juist de afwezigheid van God de diepste oorzaak van het lijden. Wie in de naam van de Kerk liefdadigheid beoefent, zal nooit proberen de ander het geloof van de Kerk op te dringen. Hij weet dat de liefde in haar zuiverheid en onbaatzuchtigheid het beste getuigenis is voor de God waarin wij geloven en die ons tot liefde brengt. De christen weet wanneer het tijd is om over God te spreken en wanneer het beter is over Hem te zwijgen en eenvoudigweg de liefde te laten spreken. Hij weet dat God liefde is (vgl. 1Joh 4,8) en dat Hij juist dan aanwezig is als er alleen maar liefde in praktijk wordt gebracht. Hij weet – om terug te komen op de eerder gestelde vragen – dat verachting voor de liefde verachting voor God en voor de mens is – de poging het zonder God klaar te spelen. Daarom is de liefde de beste verdediging van God en van de mens. Het is de opdracht van de charitatieve organisaties van de Kerk om dit besef in hun vertegenwoordigers te versterken, zodat ze zowel in hun doen als in hun spreken, hun zwijgen, hun voorbeeld, geloofwaardige getuigen van Christus worden.

 

Copyright © 2007-08.
All Rights Reserved.