< Back to Dutch & Caribbean News
 Koningin Beatrix is ook Brits in dutch


04 Maart 2007 | H. U. Jessurun d’Oliveira


Volgens de Wet op het koninklijk huis - die na lang touwtrekken tussen koningin Juliana en het kabinet Lubbers-I in 1985 tot stand kwam - wordt het lidmaatschap van het koninklijk huis verloren bij verlies van het Nederlanderschap. Dat impliceert, positief geformuleerd, dat alleen Nederlanders koning of koningin kunnen zijn. De vraag rijst of leden van het koninklijk huis, inclusief de koning, ook buitenlandse nationaliteiten mogen bezitten en vooral of dat ook voorkomt. Beide vragen moeten bevestigend beantwoord worden. Meer in het bijzonder zal hier worden aangetoond dat onze laatste drie koninginnen naast de Nederlandse ook de Britse nationaliteit bezaten of bezitten. Dat koningin Beatrix over twee nationaliteiten beschikt, mag gerust problematisch heten in een tijdperk waarin de regering meervoudige nationaliteit te vuur en te zwaard bestrijdt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de RVD zich in alle mogelijke bochten wringt om de feiten te verdoezelen. Dat is zielig.

Bij de parlementaire behandeling van de wet op het koninklijk huis in 1985 is de kwestie van de meervoudige nationaliteit al aan de orde geweest. Op vragen van de VVD daarover antwoordde de regering: ‘Het bezit van meerdere nationaliteiten behoeft op zichzelf geen belemmering te zijn voor het lidmaatschap.’ Toch voorzag zij wel moeilijkheden. De regering vond dat van geval van geval moest worden bekeken of een lid van het koninklijk huis kan behoren tot een ander regerend vorstenhuis. Daar kan een conflict van plichten optreden, en dan moet door de betrokkene een keuze worden gedaan. Hoe dat zijn beslag moet krijgen wordt in de wet niet uit de doeken gedaan. Een expliciete regeling vond men niet prettig. Staat dus buiten kijf dat leden van het koninklijk huis meer nationaliteiten mogen bezitten, dan komt nu de vraag aan de orde of dat ook in werkelijkheid het geval is. Aangetoond wordt hier dat in elk geval de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix naast de Nederlandse ook de Britse nationaliteit bezitten of bezaten. Hoe komen zij daaraan?

Nadat William III, onze koning-stadhouder op de Engelse troon, kinderloos was overleden, evenals zijn vooroverleden echtgenote Mary Stuart II, kwam volgens de Act of Settlement van 1700 de troon in handen van Anna van Denemarken, Queen Anne, de schoonzuster van Willem III. Toen ook deze Anna kinderloos dreigde te overlijden – haar zoontje, de Duke of Gloucester was in 1700 bezweken - moest haar opvolging uit een andere tak geregeld worden. Zo werd in 1705 vastgelegd bij wet (4 Anne ch. IV) dat dan de beurt was aan prinses Sophie, keurvorstin van Hannover ( 1630-1714) die de protestantse kleindochter was van de katholieke koning Jacobus I. De opvolging werd vergemakkelijkt door haar naturalisatie in de vorm van de fictie dat zij in Engeland geboren zou zijn: geboorte in Engeland bracht de Britse nationaliteit met zich. Men vond het toen ook al prettiger als de troon werd bezet door mensen die de nationaliteit van het land bezaten. Niet alleen Keurvorstin Sophie werd in deze wet genaturaliseerd, maar ook en vooral ‘the Issue of her Body’, voor zover deze protestants waren. Even later wordt er ook gesproken over ‘all Persons lineally descending from her, born or hereafter to be born’ die door deze wet worden genaturaliseerd. Met andere woorden: afstammelingen van Sophie zijn Brits. Zo komt in de persoon van George I het huis Hannover - tijdens de Eerste Wereldoorlog om voor de hand liggende redenen omgedoopt in Windsor - in 1714 op de Engelse troon. Is het nu werkelijk zo dat een naturalisatiewetje van op de kop af 300 jaar geleden alle kroost uit het lijf van Sophie tot Britse subjects heeft gemaakt? Vast staat dat het wetje uitdrukkelijk is afgeschaft in 1948, toen een nieuwe British Nationality Act werd ingevoerd. Wie vóór die datum Brits was, bleef dat ook. Daarmee blijven er twee vragen over. Wie hebben er van deze wet mogen profiteren: alleen de eigen kinderen van Sophie, of ook de kinderen en kindskinderen van haar, mits geboren voór 1948. En minstens zo belangrijk: zijn ook onze drie koninginnen afstammelingen van Sophie?

De eerste van deze vragen is rechtstreeks beantwoord door het House of Lords in een uitspraak van een jaar of vijftig geleden. De Law Lords moesten de naturalisatiewet interpreteren voor wat betreft de keten van generaties die daarin tot British subject werden gebombardeerd. Aanleiding was een verzoek van de in 1914 geboren prins Ernst van Hannover om erkend te worden als Brits onderdaan op grond van het wetje van 1705. De prins had de Britse nationaliteit nodig om in aanmerking te komen voor naoorlogse herstelbetalingen die hij niet zou ontvangen als Duitser. Hij was de achterachterkleinzoon van Ernst August, Hertog van Cumberland, die weer een zoon was van George III. Deze laatste had de troon van Hannover bestegen toen Victoria in 1837 de Engelse troon ging bezetten. In eerste aanleg was zijn claim afgewezen, omdat de ruime interpretatie van zo’n archaïsch wetje die meebracht dat talloze afstammelingen tot in het zoveelste geslacht Brits waren, toch door de makers niet gewild kon zijn. Ook de Attorney-General was van mening dat alleen die nakomelingen van Sophie bedoeld konden zijn die geboren waren bij het leven van Queen Anne en dat een beperkte uitleg geboden was om absurde resultaten te vermijden. Er waren, zo werd meegedeeld, in 1955 zo’n 400 personen die als rechtstreekse afstammelingen van Sophie de Britse nationaliteit konden claimen – onder wie een reeks van Europese vorsten. Er was bovendien nooit beroep op het wetje gedaan, dat dus kon worden beschouwd als in onbruik geraakt. Het Court of Appeal oordeelde daarentegen dat de gewone en ondubbelzinnige betekenis van de woorden in het wetje van 1705 geen andere uitleg toeliet dan dat alle afstammelingen in rechte lijn bedoeld waren, geboren voor 1948. Eventueel ongemak of absurditeit had kunnen leiden tot afschaffing van de wet, waarvan de bewoordingen duidelijk waren, aldus het Hof, en dat was nu eenmaal niet gebeurd. Dit oordeel werd in stand gehouden door de Law Lords, de hoogste Britse rechters. Zij waren allen van mening dat de woorden van de wet duidelijk genoeg waren, en in hun tijd ook niet absurd. ’However absurd we today may think an interpretation which would lead to most of the Royal families of Europe being British subjects, I cannot say that in 1705 there was such manifest absurdity as to entitle one to reject it.’ Aldus de Lord Chancellor, Burggraaf Simonds, de ‘geleerde vriend van de Wolbaal’ oftewel de voorzitter van het Hogerhuis, in zijn door de andere Law Lords gevolgde oordeel. In Engelse handboeken wordt deze uitspraak verwelkomd als een voorbeeld van juiste toepassing van de juridische interpretatieleer: als de woorden van het werkzame deel van een wet duidelijk zijn, moeten zij niet beperkt worden door de benaming van de wet of de considerans ervan. Naar Brits nationaliteitsrecht staat dus vast dat de wet zijn werking heeft uitgeoefend ten opzichte van alle nakomelingen in de rechte lijn van keurvorstin Sophie tot aan 1948. Wie langs deze weg de Britse nationaliteit had verworven, behield deze in principe ook na 1948.

Blijft over de vraag of onze koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix tot rechtstreekse nakomelingen gerekend moeten worden. Eén ding is zeker: zij zijn allen voor 1948 geboren. Maar dat niet alleen. Zij inderdaad rechtstreekse afstammelingen – zelfs langs meerdere lijnen - van koningin-moeder Sophie, de Hannoveriaanse keurvorstin. De volgende gekandelaberde stamboom kan getekend worden. Willem IV (1711-1751), die uit de Friese tak van de Nassaus stamde (die van Nassau-Dietz), werd in het stadhouderloze tijdperk (1702-1747) eerst stadhouder van Friesland, en later ook stadhouder van Holland. Hij trouwde met Anna van Hannover (1709-1759), de dochter van de Engelse Hannoveriaanse koning George II. Deze was de zoon van George I, die - zoals we zagen - als eerste Hannoveriaan de Engelse troon bestegen had. Deze Anna van Hannover, vierde generatie British subject krachtens de wet van 1705, is de moeder van Willem V (1748-1806) en dus grootmoeder van koning Willem I (1772-1843). De rest is duidelijk: Willem II en III zijn zoon en kleinzoon van Willem I; Wilhelmina. Juliana en Beatrix als kind, kleinkind en achterkleinkind van Willem III zijn in hun hoedanigheid van afstammelingen in rechte lijn eveneens geheid British subjects. Ter versteviging van deze vaststelling is er nog een tweede afstammingslijn. Die loopt via koningin-moeder-regentes Emma, het late geluk van Willem III. Emma was de dochter van Helena, prinses van Waldeck-Pyrmont (1831-1888), die weer de dochter was van Paulina, hertogin van Nassau (1810-1856), de dochter van prins Paul van Württemberg (1785-1852). Deze prins Paul was de zoon van koningin Charlotte van Württemberg (1764-1788), die weer de dochter was van prinses Augusta, hertogin van Brunswijk-Wolfenbüttel ( 1737-1813), de dochter van Frederick, de prins van Wales, oftewel de zoon van George II. Er zijn, for good measure, ook nog een derde en een vierde lijn. Die lopen via de moeder en de vrouw van koning Willem I: de beide Wilhelmina’s van Pruisen. De eerste Wilhelmina van Pruisen (1751-1820), vrouw van Willem V, was de dochter van August Wilhelm van Pruisen en Luise Amalie von Braunschweig-Bevern; haar vader was een kleinzoon van George I van Engeland. De tweede Wilhelmina (Mimi) van Pruisen (1774-1837) was een volle nicht van haar echtgenoot Willem I en een dochter van koning Friedrich Wilhelm II van Pruisen (1744-1797) weer een kind was van de zojuist genoemde August Wilhelm van Pruisen, de kleinzoon van George I, waarmee we weer thuis zijn. Hiermee is aangetoond dat er een vierdubbele rechtstreekse afstamming bestaat tussen onze laatste drie koninginnen en Sophie van Hannover die in 1705 genaturaliseerd werd. Dit geldt natuurlijk ook voor de voor 1948 geboren zusters van Beatrix. Zij zijn allen bij hun geboorte door afstamming van rechtswege British subject geworden en bezitten dus (naast de Nederlandse en eventuele andere nationaliteiten) de Britse nationaliteit. Dit geldt gelijkelijk voor Irene (1939), Margriet(1943) en Christina (1947). Hierbij is misschien ten overvloede aan te tekenen dat deze verkrijging in overeenstemming is met het basisbeginsel van het internationale nationaliteitsrecht, dat inhoudt dat elke staat bepaalt wie zijn staatsburgers zijn, en dat de andere staten de resultaten daarvan hebben te erkennen.

Dat de genoemde leden van ons koninklijk huis, onder wie dus koningin Beatrix, de Britse nationaliteit bezitten, is onder wetenschappers niet in geschil. Al vroeg is daarop gewezen. In 1956 schreef een Britse geleerde, C. d’Olivier Farran, in het Nederlands Tijdschrift voor Internationaal Recht een artikel onder de titel The Dutch Royal Family is British! waarin hij naar aanleiding van de hierboven aangehaalde zaak aantoonde dat ‘virtual all the protestant royal families of Europe – including that of the Netherlands- are British subjects.’ De Nederlandse rechtsvergelijker J.G. Sauveplanne vermeldde dit gelaten en zonder commentaar in zijn Rechtsstelsels in Vogelvlucht (1981, tweede druk). Zelf deed ik een en ander in 1988 nog eens dunnetjes over in een artikel in het Nederlands Juristenblad, getiteld Nationaliteit en Koninklijk Huis: het symbool van een meervoudige samenleving. Daarin ging ik voor de toenmalige leden van het koninklijk huis en de koninklijke familie na hoe het stond met hun waaier aan nationaliteiten. In een in 1998 door ons Ministerie van Justitie mooi uitgegeven feestbundel Aan de grenzen van het Nederlanderschap voor de scheidende wetgevingsjurist F.Zilverentant, die de vraagbaak op het terrein van het nationaliteitrecht was (en is), schreef de Engelse specialist A. Walmsley een korte beschouwing over ‘British Nationality and the Act of 1705’ waarin hij enerzijds wat voorzichtig is en anderzijds nog een stap verder gaat. Hij schrijft: ‘Under this Act (die van 1705 – red.) the Queen of the Netherlands might today be a British citizen.’ Met ‘might be’ houdt hij dus nog een slag om de arm. Maar hij voegt er aan toe dat de werking van de Act van 1705, gecombineerd met die van de huidige Britse Nationality Act 1981 ertoe leidt dat de kinderen van degenen die onder de wet van 1705 het Britse citizenship verkregen hebben, door afstamming eveneens de Britse nationaliteit verworven hebben: ‘This means that more than 400 members of various European Royal Families will today be British citizens other than by descent, and their children born abroad will be citizens by descent.’ Volgens Walmsley zijn dus ook prins Willem-Alexander en zijn twee broers nog houders van de Britse nationaliteit. Voor hun kinderen is het daarentegen afgelopen en uit.

Dit alles zou niet hoeven te worden opgerakeld als daar niet zo spastisch mee werd omgegaan door de autoriteiten. Indertijd, na de publicatie van mijn artikel in het Nederlands Juristenblad in 1988, verklaarde een woordvoerder van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) tegenover de pers: ‘De kwestie is natuurlijk geheel academisch, maar onjuist is het niet. Je moet het wel aanvragen denk ik. En dat wordt niet gedaan.’ Het was een lakonieke maar ook onjuiste mededeling, want de Britse nationaliteit is van rechtswege en volautomatisch verkregen. In 2005 is het al niet beter. Ik meende er goed aan te doen de RVD eens rechtstreeks te bevragen omtrent de nationaliteiten van onze koninginnen. Op 12 maart 2005 schreef ik de RVD: ‘Kunt u bevestigen of ontkennen dat de opvolgende koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix, alsook andere leden van de koninklijke familie naast de Nederlandse de Britse nationaliteit bezitten?’ Ter toelichting van mijn vraag wees ik op de bestaande vakliteratuur, waarvan ik voor het gemak een kopie meezond. Omdat ik niets hoorde, schreef ik na twee maanden een rappel en maakte ik gewag van mijn brandend ongeduld. En jawel, in een brief van 2 juni kreeg ik een wel heel verrassend antwoord: ‘Van de inhoud van uw brief van 12 maart jl. en de daarbij gevoegde bijlage heb ik met belangstelling kennis genomen. U vraagt in uw brief of de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix, alsook andere leden van de koninklijke familie naast de Nederlandse nationaliteit de Britse nationaliteit bezitten. (...) Het ligt niet op de weg van de Rijksvoorlichtingsdienst de juistheid van de analyse in deze wetenschappelijke publicaties van deskundigen op het gebied van het nationaliteitsrecht te beoordelen. Ik dank u voor de toegezonden informatie. Hoogachtend, Drs. C. Breedveld

Ik vroeg mij vanzelfsprekend af wat er eigenlijk wel op de weg van de RVD lag, en had al een ironisch briefje in gedachten, maar bedacht me bijtijds. Ik hield het zakelijk: ‘Het heeft mij verbaasd dat u ruim tweeëneenhalve maand nodig hebt gehad om een ontwijkend antwoord te formuleren. (...) Wat ik vroeg is een eenvoudige kwestie, namelijk of onder meer de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix naast de Nederlandse de Britse nationaliteit bezitten. (...) Zoals u ongetwijfeld bekend zal zijn, dient krachtens art. 34 van de Wet op de Gemeentelijke Basisadministratie van iedere Nederlander in voorkomende gevallen in de Gemeentelijke Basisadministratie het gegeven te worden opgenomen dat hij/zij over nog een of meer andere nationaliteiten beschikt. Het lijkt mij niet bijzonder moeilijk deze brondocumenten te raadplegen en een antwoord op mijn vraag te geven. (…) Het gaat hier dus om een publiekrechtelijke aangelegenheid die het algemeen belang raakt. Vandaar dat de Nederlandse burgers er recht op hebben te weten hoe het staat met de nationaliteit van leden van het koninklijk huis. Zo is ook in het geval van prinses Maxima openbaar vastgesteld dat zij de Argentijnse nationaliteit zou behouden ondanks haar naturalisatie tot Nederlandse. Gegeven het voorgaande herhaal ik graag mijn vraag: wat is de nationaliteit of zijn de nationaliteiten van onze opvolgende koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix?’

Op deze brief van 6 juni kreeg ik weer een antwoord van drs. C. Breedveld, en wel al op 23 juni. Hij zei mijn vraag te begrijpen als beperkt tot de drie koninginnen en vervolgde: ‘Ik perk het antwoord op uw vraag nog wat verder in dan u al gedaan heeft, omdat ik uw vraag relevant vind voorzover die betrekking heeft op het huidige, in leven zijnde Staatshoofd. Ten aanzien daarvan kan ik u het volgende melden. Koningin Beatrix beschikt over de Nederlandse nationaliteit. Wat een eventuele Britse nationaliteit betreft, gaat het om een hooguit theoretische kwestie. Koningin Beatrix heeft geen Brits paspoort. Evenmin bestaat, voor zover dit al tot de mogelijkheden zou behoren, enig voornemen de Britse nationaliteit of een Brits paspoort aan te vragen.’ Het begon vermoeiend te worden. Weer geen rechtstreeks antwoord op mijn vraag. Op 30 juni probeerde ik het nog een keer: ‘Uw antwoord op mijn vraag naar het bezit, naast de Nederlandse, van de Britse nationaliteit is nog niet bevredigend en eenduidig. (…) Ik zou, ook al zou het bezit van de Britse nationaliteit als een theoretische kwestie moeten worden opgevat, toch een antwoord op deze theoretische vraag willen vernemen. Het eventuele theoretische karakter ervan kan toch niet betekenen dat er geen uitsluitsel over hoeft te worden gegeven. Overigens zou ik erop willen wijzen dat de Minister van Vreemdelingenzaken het bezit van meerdere nationaliteiten in het geheel niet als een theoretische kwestie opvat.(…)’ Toen trad de zomerstilte in, die ik verbrak met een rappelletje op “20 augustus. We kwamen langzamerhand in de zone van de herhaling van zetten. De RVD permitteerde zich een week later, op 29 augustus, de volgende korzelige verduidelijking van haar stellingname: ‘Uit mijn antwoord van 23 juni blijkt dat het in dit geval gaat om een hooguit theoretische kwestie. Een kenmerk hiervan is voorts dat deze slechts betrekking kan hebben op een zeer beperkt aantal personen met de Nederlandse nationaliteit. Wat er zij van deze uitzonderlijke situatie, er bestaat geen voornemen de Britse nationaliteit of een Brits paspoort aan te vragen. (...) Naar aanleiding van uw brief van 30 juni en met verwijzing naar de beantwoording in mijn brieven van 2 en 23 juni stel ik vast dat ik u niet verder behulpzaam kan zijn. Voortzetting van deze correspondentie acht ik dan ook niet langer zinvol. Ik zal bij eventuele volgende brieven uwerzijds over dit onderwerp volstaan met kennisneming. Hoogachtend enz. Tja, daar werd ik even weggezet als querulant, terwijl mijn volhouden alleen was ingegeven door de omstandigheid dat er nog steeds geen antwoord op mijn vraag was gegeven! Wat moet men met de mededeling dat de kwestie maar een paar personen betreft. Doet het antwoord er dan niet meer toe? Moest ik genoegen nemen met een antwoord over een paspoort terwijl de vraag ging over de Britse nationaliteit? Dat het over een hooguit theoretische kwestie zou gaan, wordt wel gesteld door de RVD, maar daarom is dat nog niet zo. Minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken heeft niet voor niets aangekondigd dat zij de Rijkswet op het Nederlanderschap wil wijzigen om het verschijnsel van de dubbele nationaliteit terug te dringen. Zomer 2005 is daartoe een wetsvoorstel ingediend. De meeste Nederlanders met een tweede nationaliteit en buitenlanders die het Nederlanderschap willen verwerven zullen vreemd opkijken als zij vernemen dat het bezit van een dubbele nationaliteit volgens de RVD slechts een theoretische kwestie is. Meervoudige nationaliteit is juist een brisant onderwerp. Mijn veronderstelling is dat de meervoudige nationaliteit van de drie koninginnen ook helemaal geen theoretische kwestie is, en dat de RVD daarom weigert de vraag echt te beantwoorden. Mag dat niet van koningin Beatrix? Die zal toch wel geraadpleegd zijn in deze kwestie? Wie daarentegen niet geraadpleegd lijkt te zijn in deze toch technisch-juridische aangelegenheid is de minister van Justitie, of die van Vreemdelingenzaken en Integratie. Dat zijn degenen die beschikken over de specialisten in het nationaliteitsrecht, die bij Algemene Zaken ontbreken. Deze bewindslieden zouden mogelijk ook minder ontwijkend hebben gereageerd.

Het is niet aannemelijk dat de koningin zich van dit alles niet bewust is. Eigenlijk weet ik dat uit eigen ervaring. Toevallig had ik de gelegenheid haar over de aangelegenheid aan te spreken. Bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren in het paleis Noordeinde in 1998 aan de Vlaamse auteur Paul de Wispelaere mengde ik me in een gesprek tussen haar en de laureaat. Zij had juist aan de Wispelaere verteld hoe essentieel de beheersing van de Nederlandse taal was en dat zij dat heel sterk had ondervonden tijdens haar ballingschap, als kind, in Canada. Daar was zij immers vooral Engelstalig opgegroeid. Ik bracht te berde dat zij niet alleen Engelstalig opgegroeid was, maar dat ze ook de Britse nationaliteit bezat. De vorstin keek me als door een adder gebeten aan en sprak: ’Hoe komt u daarbij? Dat is een krantenhype.’ Ik antwoordde: ’Mevrouw, ik ben de bron van die hype.’ De koningin keek me aan en zei: ‘Dat is dan een onderwerp voor een andere gelegenheid’, en draaide zich resoluut weg. Ze weet er dus van. Men vraagt zich af waar deze krampachtig afwerende houding van de koningin en de RVD vandaan komt. Ik zie twee objectieve factoren. In de eerste plaats gaat het om de symbolische waarde van het staatshoofd als vleesgeworden vertegenwoordiger van de eenheid van de natie. Als de vorst één natie representeert, verdraagt zich dat slecht met het hebben van meerdere nationaliteiten. Sommige buitenlandse partners die in het koninklijk huis worden ingelijfd, kunnen hun buitenlandse nationaliteit niet afschudden. Onder hen is prinses Maxima. Haar kinderen kunnen bij meerderjarigheid opteren voor de Argentijnse nationaliteit, en verliezen dan daardoor de Nederlandse, waarmee zij buiten de opvolging zouden vallen. Gelden er dus speciale symbolische redenen voor leden van het koninklijk huis om zo uitsluitend Nederlands als mogelijk voor de dag te komen, daarnaast is te signaleren dat er de laatste twintig jaar zwaar gejonast wordt met de politieke aanvaardbaarheid van meervoudige nationaliteit. Onder invloed van wisselende inzichten in het integratiebeleid, waarbij de rol van de Nederlandse nationaliteit nu eens wordt voorgesteld als een instrument van integratie en dan weer als de hoofdprijs gesteld op een voordien geslaagd afgeronde integratie wordt tegen het bezit van een buitenlandse nationaliteit aangekeken als nuttig of noodlottig. Blijkens de beleidsvoornemens van de huidige regering, waarvan Beatrix ook deel uitmaakt, overheerst tegenwoordig de laatste visie. Meervoudige nationaliteit wordt bestreden waar dit maar mogelijk is. Persoonlijk vind ik dit een verarming. Want de identiteit van mensen reduceren tot monolitische natiestaten doet tekort aan de werkelijkheid van hun bindingen; politieke loyaliteit afdwingen door het ontnemen van buitenlandse nationaliteiten is niet meer dan het najagen van een hersenschim. Maar het is nu eenmaal regeringsbeleid om dubbele nationaliteiten tegen te gaan. Als de koningin, die deel uitmaakt van de regering, al niet het goede voorbeeld geeft van enkelvoudige Nederlandse nationaliteit, wie dan wel? Beatrix handelt in strijd met het regeringsbeleid zolang ze publiekelijk geen afstand doet van de Britse nationaliteit.

 

Copyright © 2007-08.
All Rights Reserved.