04 Maart 2007 | H. U. Jessurun
d’Oliveira

Volgens de Wet op het koninklijk huis - die na lang
touwtrekken tussen koningin Juliana en het kabinet
Lubbers-I in 1985 tot stand kwam - wordt het
lidmaatschap van het koninklijk huis verloren bij
verlies van het Nederlanderschap. Dat impliceert,
positief geformuleerd, dat alleen Nederlanders koning of
koningin kunnen zijn. De vraag rijst of leden van het
koninklijk huis, inclusief de koning, ook buitenlandse
nationaliteiten mogen bezitten en vooral of dat ook
voorkomt. Beide vragen moeten bevestigend beantwoord
worden. Meer in het bijzonder zal hier worden aangetoond
dat onze laatste drie koninginnen naast de Nederlandse
ook de Britse nationaliteit bezaten of bezitten. Dat
koningin Beatrix over twee nationaliteiten beschikt, mag
gerust problematisch heten in een tijdperk waarin de
regering meervoudige nationaliteit te vuur en te zwaard
bestrijdt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de RVD
zich in alle mogelijke bochten wringt om de feiten te
verdoezelen. Dat is zielig.
Bij de parlementaire behandeling van de wet op het
koninklijk huis in 1985 is de kwestie van de meervoudige
nationaliteit al aan de orde geweest. Op vragen van de
VVD daarover antwoordde de regering: ‘Het bezit van
meerdere nationaliteiten behoeft op zichzelf geen
belemmering te zijn voor het lidmaatschap.’ Toch voorzag
zij wel moeilijkheden. De regering vond dat van geval
van geval moest worden bekeken of een lid van het
koninklijk huis kan behoren tot een ander regerend
vorstenhuis. Daar kan een conflict van plichten
optreden, en dan moet door de betrokkene een keuze
worden gedaan. Hoe dat zijn beslag moet krijgen wordt in
de wet niet uit de doeken gedaan. Een expliciete
regeling vond men niet prettig. Staat dus buiten kijf
dat leden van het koninklijk huis meer nationaliteiten
mogen bezitten, dan komt nu de vraag aan de orde of dat
ook in werkelijkheid het geval is. Aangetoond wordt hier
dat in elk geval de koninginnen Wilhelmina, Juliana en
Beatrix naast de Nederlandse ook de Britse nationaliteit
bezitten of bezaten. Hoe komen zij daaraan?
Nadat William III, onze koning-stadhouder op de
Engelse troon, kinderloos was overleden, evenals zijn
vooroverleden echtgenote Mary Stuart II, kwam volgens de
Act of Settlement van 1700 de troon in handen van Anna
van Denemarken, Queen Anne, de schoonzuster van Willem
III. Toen ook deze Anna kinderloos dreigde te overlijden
– haar zoontje, de Duke of Gloucester was in 1700
bezweken - moest haar opvolging uit een andere tak
geregeld worden. Zo werd in 1705 vastgelegd bij wet (4
Anne ch. IV) dat dan de beurt was aan prinses Sophie,
keurvorstin van Hannover ( 1630-1714) die de
protestantse kleindochter was van de katholieke koning
Jacobus I. De opvolging werd vergemakkelijkt door haar
naturalisatie in de vorm van de fictie dat zij in
Engeland geboren zou zijn: geboorte in Engeland bracht
de Britse nationaliteit met zich. Men vond het toen ook
al prettiger als de troon werd bezet door mensen die de
nationaliteit van het land bezaten. Niet alleen
Keurvorstin Sophie werd in deze wet genaturaliseerd,
maar ook en vooral ‘the Issue of her Body’, voor zover
deze protestants waren. Even later wordt er ook
gesproken over ‘all Persons lineally descending from
her, born or hereafter to be born’ die door deze wet
worden genaturaliseerd. Met andere woorden:
afstammelingen van Sophie zijn Brits. Zo komt in de
persoon van George I het huis Hannover - tijdens de
Eerste Wereldoorlog om voor de hand liggende redenen
omgedoopt in Windsor - in 1714 op de Engelse troon. Is
het nu werkelijk zo dat een naturalisatiewetje van op de
kop af 300 jaar geleden alle kroost uit het lijf van
Sophie tot Britse subjects heeft gemaakt? Vast staat dat
het wetje uitdrukkelijk is afgeschaft in 1948, toen een
nieuwe British Nationality Act werd ingevoerd. Wie vóór
die datum Brits was, bleef dat ook. Daarmee blijven er
twee vragen over. Wie hebben er van deze wet mogen
profiteren: alleen de eigen kinderen van Sophie, of ook
de kinderen en kindskinderen van haar, mits geboren voór
1948. En minstens zo belangrijk: zijn ook onze drie
koninginnen afstammelingen van Sophie?
De eerste van deze vragen is rechtstreeks beantwoord
door het House of Lords in een uitspraak van een jaar of
vijftig geleden. De Law Lords moesten de
naturalisatiewet interpreteren voor wat betreft de keten
van generaties die daarin tot British subject werden
gebombardeerd. Aanleiding was een verzoek van de in 1914
geboren prins Ernst van Hannover om erkend te worden als
Brits onderdaan op grond van het wetje van 1705. De
prins had de Britse nationaliteit nodig om in aanmerking
te komen voor naoorlogse herstelbetalingen die hij niet
zou ontvangen als Duitser. Hij was de
achterachterkleinzoon van Ernst August, Hertog van
Cumberland, die weer een zoon was van George III. Deze
laatste had de troon van Hannover bestegen toen Victoria
in 1837 de Engelse troon ging bezetten. In eerste aanleg
was zijn claim afgewezen, omdat de ruime interpretatie
van zo’n archaïsch wetje die meebracht dat talloze
afstammelingen tot in het zoveelste geslacht Brits
waren, toch door de makers niet gewild kon zijn. Ook de
Attorney-General was van mening dat alleen die
nakomelingen van Sophie bedoeld konden zijn die geboren
waren bij het leven van Queen Anne en dat een beperkte
uitleg geboden was om absurde resultaten te vermijden.
Er waren, zo werd meegedeeld, in 1955 zo’n 400 personen
die als rechtstreekse afstammelingen van Sophie de
Britse nationaliteit konden claimen – onder wie een
reeks van Europese vorsten. Er was bovendien nooit
beroep op het wetje gedaan, dat dus kon worden beschouwd
als in onbruik geraakt. Het Court of Appeal oordeelde
daarentegen dat de gewone en ondubbelzinnige betekenis
van de woorden in het wetje van 1705 geen andere uitleg
toeliet dan dat alle afstammelingen in rechte lijn
bedoeld waren, geboren voor 1948. Eventueel ongemak of
absurditeit had kunnen leiden tot afschaffing van de
wet, waarvan de bewoordingen duidelijk waren, aldus het
Hof, en dat was nu eenmaal niet gebeurd. Dit oordeel
werd in stand gehouden door de Law Lords, de hoogste
Britse rechters. Zij waren allen van mening dat de
woorden van de wet duidelijk genoeg waren, en in hun
tijd ook niet absurd. ’However absurd we today may think
an interpretation which would lead to most of the Royal
families of Europe being British subjects, I cannot say
that in 1705 there was such manifest absurdity as to
entitle one to reject it.’ Aldus de Lord Chancellor,
Burggraaf Simonds, de ‘geleerde vriend van de Wolbaal’
oftewel de voorzitter van het Hogerhuis, in zijn door de
andere Law Lords gevolgde oordeel. In Engelse handboeken
wordt deze uitspraak verwelkomd als een voorbeeld van
juiste toepassing van de juridische interpretatieleer:
als de woorden van het werkzame deel van een wet
duidelijk zijn, moeten zij niet beperkt worden door de
benaming van de wet of de considerans ervan. Naar Brits
nationaliteitsrecht staat dus vast dat de wet zijn
werking heeft uitgeoefend ten opzichte van alle
nakomelingen in de rechte lijn van keurvorstin Sophie
tot aan 1948. Wie langs deze weg de Britse nationaliteit
had verworven, behield deze in principe ook na 1948.
Blijft over de vraag of onze koninginnen Wilhelmina,
Juliana en Beatrix tot rechtstreekse nakomelingen
gerekend moeten worden. Eén ding is zeker: zij zijn
allen voor 1948 geboren. Maar dat niet alleen. Zij
inderdaad rechtstreekse afstammelingen – zelfs langs
meerdere lijnen - van koningin-moeder Sophie, de
Hannoveriaanse keurvorstin. De volgende gekandelaberde
stamboom kan getekend worden. Willem IV (1711-1751), die
uit de Friese tak van de Nassaus stamde (die van
Nassau-Dietz), werd in het stadhouderloze tijdperk
(1702-1747) eerst stadhouder van Friesland, en later ook
stadhouder van Holland. Hij trouwde met Anna van
Hannover (1709-1759), de dochter van de Engelse
Hannoveriaanse koning George II. Deze was de zoon van
George I, die - zoals we zagen - als eerste Hannoveriaan
de Engelse troon bestegen had. Deze Anna van Hannover,
vierde generatie British subject krachtens de wet van
1705, is de moeder van Willem V (1748-1806) en dus
grootmoeder van koning Willem I (1772-1843). De rest is
duidelijk: Willem II en III zijn zoon en kleinzoon van
Willem I; Wilhelmina. Juliana en Beatrix als kind,
kleinkind en achterkleinkind van Willem III zijn in hun
hoedanigheid van afstammelingen in rechte lijn eveneens
geheid British subjects. Ter versteviging van deze
vaststelling is er nog een tweede afstammingslijn. Die
loopt via koningin-moeder-regentes Emma, het late geluk
van Willem III. Emma was de dochter van Helena, prinses
van Waldeck-Pyrmont (1831-1888), die weer de dochter was
van Paulina, hertogin van Nassau (1810-1856), de dochter
van prins Paul van Württemberg (1785-1852). Deze prins
Paul was de zoon van koningin Charlotte van Württemberg
(1764-1788), die weer de dochter was van prinses
Augusta, hertogin van Brunswijk-Wolfenbüttel (
1737-1813), de dochter van Frederick, de prins van
Wales, oftewel de zoon van George II. Er zijn, for good
measure, ook nog een derde en een vierde lijn. Die lopen
via de moeder en de vrouw van koning Willem I: de beide
Wilhelmina’s van Pruisen. De eerste Wilhelmina van
Pruisen (1751-1820), vrouw van Willem V, was de dochter
van August Wilhelm van Pruisen en Luise Amalie von
Braunschweig-Bevern; haar vader was een kleinzoon van
George I van Engeland. De tweede Wilhelmina (Mimi) van
Pruisen (1774-1837) was een volle nicht van haar
echtgenoot Willem I en een dochter van koning Friedrich
Wilhelm II van Pruisen (1744-1797) weer een kind was van
de zojuist genoemde August Wilhelm van Pruisen, de
kleinzoon van George I, waarmee we weer thuis zijn.
Hiermee is aangetoond dat er een vierdubbele
rechtstreekse afstamming bestaat tussen onze laatste
drie koninginnen en Sophie van Hannover die in 1705
genaturaliseerd werd. Dit geldt natuurlijk ook voor de
voor 1948 geboren zusters van Beatrix. Zij zijn allen
bij hun geboorte door afstamming van rechtswege British
subject geworden en bezitten dus (naast de Nederlandse
en eventuele andere nationaliteiten) de Britse
nationaliteit. Dit geldt gelijkelijk voor Irene (1939),
Margriet(1943) en Christina (1947). Hierbij is misschien
ten overvloede aan te tekenen dat deze verkrijging in
overeenstemming is met het basisbeginsel van het
internationale nationaliteitsrecht, dat inhoudt dat elke
staat bepaalt wie zijn staatsburgers zijn, en dat de
andere staten de resultaten daarvan hebben te erkennen.
Dat de genoemde leden van ons koninklijk huis, onder
wie dus koningin Beatrix, de Britse nationaliteit
bezitten, is onder wetenschappers niet in geschil. Al
vroeg is daarop gewezen. In 1956 schreef een Britse
geleerde, C. d’Olivier Farran, in het Nederlands
Tijdschrift voor Internationaal Recht een artikel onder
de titel The Dutch Royal Family is British! waarin hij
naar aanleiding van de hierboven aangehaalde zaak
aantoonde dat ‘virtual all the protestant royal families
of Europe – including that of the Netherlands- are
British subjects.’ De Nederlandse rechtsvergelijker J.G.
Sauveplanne vermeldde dit gelaten en zonder commentaar
in zijn Rechtsstelsels in Vogelvlucht (1981, tweede
druk). Zelf deed ik een en ander in 1988 nog eens
dunnetjes over in een artikel in het Nederlands
Juristenblad, getiteld Nationaliteit en Koninklijk Huis:
het symbool van een meervoudige samenleving. Daarin ging
ik voor de toenmalige leden van het koninklijk huis en
de koninklijke familie na hoe het stond met hun waaier
aan nationaliteiten. In een in 1998 door ons Ministerie
van Justitie mooi uitgegeven feestbundel Aan de grenzen
van het Nederlanderschap voor de scheidende
wetgevingsjurist F.Zilverentant, die de vraagbaak op het
terrein van het nationaliteitrecht was (en is), schreef
de Engelse specialist A. Walmsley een korte beschouwing
over ‘British Nationality and the Act of 1705’ waarin
hij enerzijds wat voorzichtig is en anderzijds nog een
stap verder gaat. Hij schrijft: ‘Under this Act (die van
1705 – red.) the Queen of the Netherlands might today be
a British citizen.’ Met ‘might be’ houdt hij dus nog een
slag om de arm. Maar hij voegt er aan toe dat de werking
van de Act van 1705, gecombineerd met die van de huidige
Britse Nationality Act 1981 ertoe leidt dat de kinderen
van degenen die onder de wet van 1705 het Britse
citizenship verkregen hebben, door afstamming eveneens
de Britse nationaliteit verworven hebben: ‘This means
that more than 400 members of various European Royal
Families will today be British citizens other than by
descent, and their children born abroad will be citizens
by descent.’ Volgens Walmsley zijn dus ook prins
Willem-Alexander en zijn twee broers nog houders van de
Britse nationaliteit. Voor hun kinderen is het
daarentegen afgelopen en uit.
Dit alles zou niet hoeven te worden opgerakeld als
daar niet zo spastisch mee werd omgegaan door de
autoriteiten. Indertijd, na de publicatie van mijn
artikel in het Nederlands Juristenblad in 1988,
verklaarde een woordvoerder van de
Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) tegenover de pers: ‘De
kwestie is natuurlijk geheel academisch, maar onjuist is
het niet. Je moet het wel aanvragen denk ik. En dat
wordt niet gedaan.’ Het was een lakonieke maar ook
onjuiste mededeling, want de Britse nationaliteit is van
rechtswege en volautomatisch verkregen. In 2005 is het
al niet beter. Ik meende er goed aan te doen de RVD eens
rechtstreeks te bevragen omtrent de nationaliteiten van
onze koninginnen. Op 12 maart 2005 schreef ik de RVD:
‘Kunt u bevestigen of ontkennen dat de opvolgende
koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix, alsook
andere leden van de koninklijke familie naast de
Nederlandse de Britse nationaliteit bezitten?’ Ter
toelichting van mijn vraag wees ik op de bestaande
vakliteratuur, waarvan ik voor het gemak een kopie
meezond. Omdat ik niets hoorde, schreef ik na twee
maanden een rappel en maakte ik gewag van mijn brandend
ongeduld. En jawel, in een brief van 2 juni kreeg ik een
wel heel verrassend antwoord: ‘Van de inhoud van uw
brief van 12 maart jl. en de daarbij gevoegde bijlage
heb ik met belangstelling kennis genomen. U vraagt in uw
brief of de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix,
alsook andere leden van de koninklijke familie naast de
Nederlandse nationaliteit de Britse nationaliteit
bezitten. (...) Het ligt niet op de weg van de
Rijksvoorlichtingsdienst de juistheid van de analyse in
deze wetenschappelijke publicaties van deskundigen op
het gebied van het nationaliteitsrecht te beoordelen. Ik
dank u voor de toegezonden informatie. Hoogachtend, Drs.
C. Breedveld
Ik vroeg mij vanzelfsprekend af wat er eigenlijk wel
op de weg van de RVD lag, en had al een ironisch briefje
in gedachten, maar bedacht me bijtijds. Ik hield het
zakelijk: ‘Het heeft mij verbaasd dat u ruim
tweeëneenhalve maand nodig hebt gehad om een ontwijkend
antwoord te formuleren. (...) Wat ik vroeg is een
eenvoudige kwestie, namelijk of onder meer de
koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix naast de
Nederlandse de Britse nationaliteit bezitten. (...)
Zoals u ongetwijfeld bekend zal zijn, dient krachtens
art. 34 van de Wet op de Gemeentelijke
Basisadministratie van iedere Nederlander in voorkomende
gevallen in de Gemeentelijke Basisadministratie het
gegeven te worden opgenomen dat hij/zij over nog een of
meer andere nationaliteiten beschikt. Het lijkt mij niet
bijzonder moeilijk deze brondocumenten te raadplegen en
een antwoord op mijn vraag te geven. (…) Het gaat hier
dus om een publiekrechtelijke aangelegenheid die het
algemeen belang raakt. Vandaar dat de Nederlandse
burgers er recht op hebben te weten hoe het staat met de
nationaliteit van leden van het koninklijk huis. Zo is
ook in het geval van prinses Maxima openbaar vastgesteld
dat zij de Argentijnse nationaliteit zou behouden
ondanks haar naturalisatie tot Nederlandse. Gegeven het
voorgaande herhaal ik graag mijn vraag: wat is de
nationaliteit of zijn de nationaliteiten van onze
opvolgende koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix?’
Op deze brief van 6 juni kreeg ik weer een antwoord
van drs. C. Breedveld, en wel al op 23 juni. Hij zei
mijn vraag te begrijpen als beperkt tot de drie
koninginnen en vervolgde: ‘Ik perk het antwoord op uw
vraag nog wat verder in dan u al gedaan heeft, omdat ik
uw vraag relevant vind voorzover die betrekking heeft op
het huidige, in leven zijnde Staatshoofd. Ten aanzien
daarvan kan ik u het volgende melden. Koningin Beatrix
beschikt over de Nederlandse nationaliteit. Wat een
eventuele Britse nationaliteit betreft, gaat het om een
hooguit theoretische kwestie. Koningin Beatrix heeft
geen Brits paspoort. Evenmin bestaat, voor zover dit al
tot de mogelijkheden zou behoren, enig voornemen de
Britse nationaliteit of een Brits paspoort aan te
vragen.’ Het begon vermoeiend te worden. Weer geen
rechtstreeks antwoord op mijn vraag. Op 30 juni
probeerde ik het nog een keer: ‘Uw antwoord op mijn
vraag naar het bezit, naast de Nederlandse, van de
Britse nationaliteit is nog niet bevredigend en
eenduidig. (…) Ik zou, ook al zou het bezit van de
Britse nationaliteit als een theoretische kwestie moeten
worden opgevat, toch een antwoord op deze theoretische
vraag willen vernemen. Het eventuele theoretische
karakter ervan kan toch niet betekenen dat er geen
uitsluitsel over hoeft te worden gegeven. Overigens zou
ik erop willen wijzen dat de Minister van
Vreemdelingenzaken het bezit van meerdere
nationaliteiten in het geheel niet als een theoretische
kwestie opvat.(…)’ Toen trad de zomerstilte in, die ik
verbrak met een rappelletje op “20 augustus. We kwamen
langzamerhand in de zone van de herhaling van zetten. De
RVD permitteerde zich een week later, op 29 augustus, de
volgende korzelige verduidelijking van haar stellingname:
‘Uit mijn antwoord van 23 juni blijkt dat het in dit
geval gaat om een hooguit theoretische kwestie. Een
kenmerk hiervan is voorts dat deze slechts betrekking
kan hebben op een zeer beperkt aantal personen met de
Nederlandse nationaliteit. Wat er zij van deze
uitzonderlijke situatie, er bestaat geen voornemen de
Britse nationaliteit of een Brits paspoort aan te
vragen. (...) Naar aanleiding van uw brief van 30 juni
en met verwijzing naar de beantwoording in mijn brieven
van 2 en 23 juni stel ik vast dat ik u niet verder
behulpzaam kan zijn. Voortzetting van deze
correspondentie acht ik dan ook niet langer zinvol. Ik
zal bij eventuele volgende brieven uwerzijds over dit
onderwerp volstaan met kennisneming. Hoogachtend enz.
Tja, daar werd ik even weggezet als querulant, terwijl
mijn volhouden alleen was ingegeven door de
omstandigheid dat er nog steeds geen antwoord op mijn
vraag was gegeven! Wat moet men met de mededeling dat de
kwestie maar een paar personen betreft. Doet het
antwoord er dan niet meer toe? Moest ik genoegen nemen
met een antwoord over een paspoort terwijl de vraag ging
over de Britse nationaliteit? Dat het over een hooguit
theoretische kwestie zou gaan, wordt wel gesteld door de
RVD, maar daarom is dat nog niet zo. Minister Rita
Verdonk van Vreemdelingenzaken heeft niet voor niets
aangekondigd dat zij de Rijkswet op het Nederlanderschap
wil wijzigen om het verschijnsel van de dubbele
nationaliteit terug te dringen. Zomer 2005 is daartoe
een wetsvoorstel ingediend. De meeste Nederlanders met
een tweede nationaliteit en buitenlanders die het
Nederlanderschap willen verwerven zullen vreemd opkijken
als zij vernemen dat het bezit van een dubbele
nationaliteit volgens de RVD slechts een theoretische
kwestie is. Meervoudige nationaliteit is juist een
brisant onderwerp. Mijn veronderstelling is dat de
meervoudige nationaliteit van de drie koninginnen ook
helemaal geen theoretische kwestie is, en dat de RVD
daarom weigert de vraag echt te beantwoorden. Mag dat
niet van koningin Beatrix? Die zal toch wel geraadpleegd
zijn in deze kwestie? Wie daarentegen niet geraadpleegd
lijkt te zijn in deze toch technisch-juridische
aangelegenheid is de minister van Justitie, of die van
Vreemdelingenzaken en Integratie. Dat zijn degenen die
beschikken over de specialisten in het
nationaliteitsrecht, die bij Algemene Zaken ontbreken.
Deze bewindslieden zouden mogelijk ook minder ontwijkend
hebben gereageerd.
Het is niet aannemelijk dat de koningin zich van dit
alles niet bewust is. Eigenlijk weet ik dat uit eigen
ervaring. Toevallig had ik de gelegenheid haar over de
aangelegenheid aan te spreken. Bij de uitreiking van de
Prijs der Nederlandse Letteren in het paleis Noordeinde
in 1998 aan de Vlaamse auteur Paul de Wispelaere mengde
ik me in een gesprek tussen haar en de laureaat. Zij had
juist aan de Wispelaere verteld hoe essentieel de
beheersing van de Nederlandse taal was en dat zij dat
heel sterk had ondervonden tijdens haar ballingschap,
als kind, in Canada. Daar was zij immers vooral
Engelstalig opgegroeid. Ik bracht te berde dat zij niet
alleen Engelstalig opgegroeid was, maar dat ze ook de
Britse nationaliteit bezat. De vorstin keek me als door
een adder gebeten aan en sprak: ’Hoe komt u daarbij? Dat
is een krantenhype.’ Ik antwoordde: ’Mevrouw, ik ben de
bron van die hype.’ De koningin keek me aan en zei: ‘Dat
is dan een onderwerp voor een andere gelegenheid’, en
draaide zich resoluut weg. Ze weet er dus van. Men
vraagt zich af waar deze krampachtig afwerende houding
van de koningin en de RVD vandaan komt. Ik zie twee
objectieve factoren. In de eerste plaats gaat het om de
symbolische waarde van het staatshoofd als vleesgeworden
vertegenwoordiger van de eenheid van de natie. Als de
vorst één natie representeert, verdraagt zich dat slecht
met het hebben van meerdere nationaliteiten. Sommige
buitenlandse partners die in het koninklijk huis worden
ingelijfd, kunnen hun buitenlandse nationaliteit niet
afschudden. Onder hen is prinses Maxima. Haar kinderen
kunnen bij meerderjarigheid opteren voor de Argentijnse
nationaliteit, en verliezen dan daardoor de Nederlandse,
waarmee zij buiten de opvolging zouden vallen. Gelden er
dus speciale symbolische redenen voor leden van het
koninklijk huis om zo uitsluitend Nederlands als
mogelijk voor de dag te komen, daarnaast is te
signaleren dat er de laatste twintig jaar zwaar gejonast
wordt met de politieke aanvaardbaarheid van meervoudige
nationaliteit. Onder invloed van wisselende inzichten in
het integratiebeleid, waarbij de rol van de Nederlandse
nationaliteit nu eens wordt voorgesteld als een
instrument van integratie en dan weer als de hoofdprijs
gesteld op een voordien geslaagd afgeronde integratie
wordt tegen het bezit van een buitenlandse nationaliteit
aangekeken als nuttig of noodlottig. Blijkens de
beleidsvoornemens van de huidige regering, waarvan
Beatrix ook deel uitmaakt, overheerst tegenwoordig de
laatste visie. Meervoudige nationaliteit wordt bestreden
waar dit maar mogelijk is. Persoonlijk vind ik dit een
verarming. Want de identiteit van mensen reduceren tot
monolitische natiestaten doet tekort aan de
werkelijkheid van hun bindingen; politieke loyaliteit
afdwingen door het ontnemen van buitenlandse
nationaliteiten is niet meer dan het najagen van een
hersenschim. Maar het is nu eenmaal regeringsbeleid om
dubbele nationaliteiten tegen te gaan. Als de koningin,
die deel uitmaakt van de regering, al niet het goede
voorbeeld geeft van enkelvoudige Nederlandse
nationaliteit, wie dan wel? Beatrix handelt in strijd
met het regeringsbeleid zolang ze publiekelijk geen
afstand doet van de Britse nationaliteit.
|