|
Op 11 april 1963 gaf Paus
Johannes XXIII zijn encycliek "Pacem in Terris" -vanuit
het inzicht van een aan de mens innaat rechtsbesef
gevangen onder het begrip "natuurrecht"- een inleidend
overzicht voor de opbouw van grondrechten ontleend aan
dat aangeboren rechtsgevoel; ik geef dat hierna onder
plaatsverwijzing weer.
Verder kan het geen kwaad ons in
herinnering te brengen dat het wereldgeweten -neergelegd
in internationale verdragen, conventies en
recommendaties- de
natuurrechtelijke vertaling is van het begrip "MENSELIJKE
WAARDIGHEID".
EN HET IS JUIST DIE MENSELIJKE
WAARDIGHEID AAN ELKE INWONER VAN DIT LAND TOEKOMEND,
WELKE IN ONZE NIEUWE GRONDWET DIENT WORDEN GEWAARBORGD.
Het is in dit kader derhalve
zaak te bezien:
A) wat de grote
wereldgodsdienten aan moreel besef ter zake hebben
voortgebracht;
B) wat de internationale
mensenrechtenorganisaties hieromtrent aan moreel besef
hebben gejuridiseerd; en dan pas
C) wat de cultuur-historische
inzichten en economisch-sociale noden van dit volk
politiek in het algemeen belang rationaliter zullen
vergen als grondrechten te verwoorden.
Hieronder dus de
GEDACHTENORDENING van het hoogste moreel gezag in de
RK-Kerk, dat sinds 1963 niet aan actualiteit voor onze
eigen situatie heeft verloren.
Het ware dan ook aan te bevelen
Curaçaose mensen van onbesproken gedrag en hoge morele
integriteit inbreng te laten hebben in het proces tot
een nieuwe grondwet voor ons toekomstig land te laten
komen.
We kunnen natuurlijk ook gewoon
op de ingeslagen weg doorgaan en de huidige commissie
laten "aanmodderen". Dan kalkt een onbekende Nederlandse
hoogleraar -met inconsistenties en al- de Nederlandse
grondwet over en verkoopt de grondwetcommissie deze "knol"
voor een echte "citroen" aan dit uiterst tolerante volk
als het om grondwetcommissies gaat.
Berend : :
GRONDVOORWAARDEN VOOR HET
WAARBORGEN VAN MENSELIJKE WAARDIGHEID:
9) In iedere wel
geordende en goed functionerende gemeenschap moet als
grondbeginsel gelden, dat iedere mens een /persoon/ is,
d.w.z. een wezen, met verstand en vrije wil begaafd; en
dat hij op grond hiervan subject is van rechten en
plichten, die rechtstreeks en gelijktijdig voortvloeien
uit zijn eigen natuur. Deze rechten en plichten zijn
bijgevolg algemeen, onschendbaar en onvervreemdbaar.
11) Om met de rechten
van de mens te beginnen: iedere mens heeft recht op het
leven, op de integriteit van zijn lichaam en op de
middelen voor een menswaardig bestaan, vooral op
levensonderhoud, kleding, huisvesting, rust, medische
verzorging en de noodzakelijke diensten van de kant van
de staat. Daarom heeft de mens ook het recht op
hulpverlening in geval van ziekte, invaliditeit, verlies
van echtgenoot of echtgenote, ouderdom, werkloosheid en
telkens, als hij buiten zijn schuld de nodige
bestaansmiddelen verliest.
12) Verder heeft de
mens van nature het recht op respect, op zijn goede naam,
op vrijheid bij het zoeken naar de waarheid en, met
inachtneming van de morele orde en het algemeen belang,
op vrijheid in het uiten en verbreiden van zijn mening
en in de beoefening van de kunst; hij heeft tenslotte
het recht op een waarheidsgetrouwe voorlichting omtrent
publieke gebeurtenissen.
13) Eveneens heeft de
mens van nature het recht op wetenschappelijke vorming,
en bijgevolg op basis-onderwijs en op technische en
professionele scholing overeenkomstig het
ontwikkelingspeil van zijn eigen politieke gemeenschap.
Men moet er naar streven, dat allen, die de nodige
begaafdheid bezitten, gelegenheid krijgen tot het maken
van hogere studies, zodat zij, voor zover mogelijk, in
de samenleving ambten en functies kunnen bekleden, die
beantwoorden aan hun natuurlijke talenten en aan de
bekwaamheid, die zij zich hebben verworven.
14) Tot de rechten van
de mens behoort ook, dat hij God kan leren
overeenkomstig de juiste uitspraak van zijn geweten en
dat hij voor zich persoonlijk en publiek zijn godsdienst
kan belijden.
15) Verder heeft de
mens het recht op de vrije keuze van een levensstaat en
dus op het stichten van een gezin, waarin man en vrouw
gelijke rechten en plichten bezitten.
16) Het gezin moet
beschouwd worden als de eerste en natuurlijke kern van
de menselijke samenleving. Daarom dient men aan het
gezin alle zorg te besteden door maatregelen op
economisch, sociaal, cultureel en moreel gebied, om zo
het gezin te verstevigen en het te helpen in het
vervullen van zijn taak.
17) Het recht op het
onderhoud en de opvoeding van de kinderen komt op de
eerste plaats toe aan de ouders.
18) Wat het economisch
leven betreft: het is duidelijk, dat de mens van nature
het recht bezit niet alleen op werkgelegenheid, maar ook
op het vrij kiezen van zijn werk.
19) Uit deze rechten
vloeit ook noodzakelijk het recht voort op
arbeidsomstandigheden, die geen afbreuk doen aan de
lichamelijke gezondheid of aan een gaaf zedelijk leven,
en die de rechtmatige ontwikkeling van jonge mensen niet
belemmeren. Wat de vrouwen betreft, deze hebben recht op
arbeidsomstandigheden, die verenigbaar zijn met haar
behoeften en haar plichten als echtgenoten en moeders.
20) De waardigheid van
de menselijke persoon houdt ook het recht in, zijn
economische activiteit te ontplooien met persoonlijke
verantwoordelijkheid. Bovendien willen wij er de nadruk
op leggen, dat de arbeider recht heeft op een loon
volgens de normen van de rechtvaardigheid. Dit loon moet
daarom, overeenkomstig de mogelijkheden van de
onderneming, zó zijn, dat het aan de arbeider en zijn
gezin een menswaardig bestaan verzekert.
21) De natuur van de
mens schenkt hem bovendien het recht op privaat-eigendom,
ook van de productiemiddelen.
23) Uit het feit, dat
de mens van nature een sociaal wezen is, volgt, dat hij
het recht heeft op vereniging en associatie, het recht
om aan deze associaties de structuur te geven, die het
meest geschikt lijkt om het gestelde doel te bereiken,
en het recht om binnen deze associaties op eigen
initiatief en eigen verantwoordelijkheid te handelen om
zó het gewenste resultaat te verkrijgen.
24) Gelijk wij in de
encycliek /Mater et Magistra <http://www.rkdocumenten.nl/index.php?docid=90>/
uitdrukkelijk naar voren hebben gebracht, is het
dringend nodig, een groot aantal intermediaire
associaties of lichamen op te richten voor het bereiken
van doeleinden, die het individu niet in staat is
doeltreffend te verwezenlijken. Deze associaties en
lichamen zijn een onmisbaar middel om de waardigheid en
vrijheid van de menselijke persoon te beschermen door
een juist verantwoordelijkheidsbesef.
25) Ook heeft iedere
mens het recht op vrij verblijf en vrije beweging binnen
zijn eigen politieke gemeenschap; en, als billijke
redenen het wenselijk maken, moet hij ook de vrijheid
hebben, naar andere landen te emigreren en zich daar te
vestigen. Door het feit, dat iemand burger is van een
bepaalde politieke gemeenschap, houdt hij niet op, lid
te zijn van de mensenfamilie en burger van de universele
wereldgemeenschap.
26) Uit de waardigheid
van de menselijke persoon vloeit ook het recht voort,
actief deel te nemen aan het publieke leven en bij te
dragen tot het algemeen welzijn.
27) Ook komt aan de
menselijke persoon de wettige verdediging toe van zijn
rechten, een effectieve en onpartijdige verdediging,
volgens objectieve normen van rechtvaardigheid, gelijk
onze voorganger Pius XII z.g. het formuleert: "Uit de
door God gewilde rechtsorde vloeit voort het persoonlijk
en onvervreemdbaar recht van de mens op rechtszekerheid,
en juist daarmede op een concrete rechtssfeer, die tegen
iedere aanval uit willekeur is beschermd".
51) "Omtrent het
tweede punt valt op te merken, dat de menselijke wet
slechts in zoverre het karakter van wet heeft, als ze in
overeenstemming is met de rede; en hieruit blijkt, dat
ze haar kracht ontleent aan de eeuwige wet. Maar als ze
afwijkt van de rede, noemt men haar een onrechtvaardige
wet; en dan is ze geen wet meer, maar veeleer een soort
geweld".
106) Tot de rechten van de
menselijke persoon behoort ook het recht, zich te
vestigen in een land, waar men meent, een betere
toekomst te zullen vinden voor zich zelf en zijn gezin.
Daarom is het de plicht van de regeerders, de
immigranten op te nemen en, voor zover het wel begrepen
belang van hun land het toelaat, tegemoet te komen aan
hen, die opname vragen in een nieuwe gemeenschap.
|