|
Bij
het "surfen" kwam ik onderstaand artikel tegen dat een
beeld geeft hoe ver andere landen zijn gevorderd in hun
denken over de opvoeding van kinderen als
gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en taak met
bijbehorende noodzakelijke bevoegdheden van de betrokken
actoren, de kinderen zelf inbegrepen (Trias pedagogica).
Ik heb
geen idee wat hier te lande onder "opvoeders, verzorgers
en andere zorgplichtingen" leeft, maar een cohaerent
overheidsbeleid ter zake het recht op educatie,
informatie, adequate vrijetijdsbesteding van kinderen
als samenhangend, gestructureerd geheel tegen de
achtergrond van het kinderechtenverdrag is mij niet
bekend.
Ik
weet niet eens of daaromtrent definities werden
geformuleerd.
In
ieder geval moeten we met zijn allen samen beginnen te
denken over de inzichten, zoals die elders ter wereld
inmiddles tot ontwikkeling werden gebracht.
Berend
: :
DAGARRANGEMENT ALS
SAMENWERKINGSMOTIEF.
*Van
onderwijzen naar ondernemen*
De
school die zuiver onderwijst, wordt steeds meer een
zeldzaamheid. De samenleving verandert, en daarmee ook
de taakstelling van maatschappelijke ondernemingen,
zoals de school. Scholen zien steeds meer taken en
verantwoordelijkheden op hen afkomen. Dat stelt hoge en
veranderende eisen aan de kwaliteiten en capaciteiten
van de schoolleider.
De
schoolleiderfunctie van nu lijkt nauwelijks meer op de
functie waar veel huidige schoolleiders voor gekozen
hebben (of in terechtkwamen). De schoolleider van nu
heeft niet alleen te maken met interne
onderwijsaangelegenheden, maar bevindt zich in een
krachtenveld van uiteenlopende maatschappelijke belangen,
verwachtingen en eisen van verschillende belanghebbenden.
Een voorbeeld waarin dit duidelijk wordt, is de opkomst
van dagarrangementen. Een vraag die mede gegroeid is
door sociaal-economische ontwikkelingen zoals het
ontstaan van de 24-uurseconomie, de toenemende
arbeidsparticipatie onder vrouwen en een toenemend
aantal tweeverdieners. De vraag op de ene locatie is
sterker aanwezig dan op de andere locatie. Een
dagarrangement kan alleen succesvol genoemd worden,
wanneer er sprake is van werkelijke
(intersectorale)
samenwerking en het dagritme van het kind als
vertrekpunt. Al met al tijd voor een pleidooi voor een
pedagogische infrastructuur, waarbij de school(leider)
de spin in t web is.
Gezamenlijke visie
Van een samenhangende infrastructuur is
momenteel nauwelijks sprake. Er ontbreekt veelal een
gezamenlijke visie op opvoeding en een gedeelde
pedagogische verantwoordelijkheid hiervoor. In het
verleden hebben de verschillende milieus (gezin, school,
vrije tijd) zich immers redelijk onafhankelijk van
elkaar ontwikkeld vanuit verschillende motieven.
Het
kabinet heeft sociale samenhang niet voor niets als een
van de pijlers van het komende beleid geformuleerd. Een
beleid waarbij kansen voor elk kind, lokale
betrokkenheid en een actieve inzet en
verantwoordelijkheid van iedereen voorop staan. Dit
vertaalt zich onder meer in de oprichting van centra
voor jeugd en gezin in het kader van een effectiever
jeugdbeleid en discussies over een integratie van
peuterspeelzaal, kinderopvang en voor- en vroegschoolse
educatie. Vanuit het ministerie van OCW gaat ook de
stimulering van brede scholen verder.
En
natuurlijk mag ook de verplichting van scholen om een
goede aansluiting tussen opvang- en schooltijden te
regelen in dit rijtje niet ontbreken. Ondanks de
toenemende aandacht en oprechte intenties hiervoor
vanuit de overheid, valt toch steeds weer op hoe
beleidsterreinen als jeugd en gezin nauwelijks
daadwerkelijk samengebracht worden met het
onderwijsterrein. En alhoewel een eerste stap is gezet
in de verbinding van de verschillende sectoren is ook
bij de wettelijke BSO-verplichting van scholen te
constateren dat een incidenteel budget, een korte
realisatietermijn en met elkaar confl icterende regels
en waarden (denk aan onderwijshuisvesting en
personeelskwesties) geen werkelijke aansluiting en dus
ook geen pedagogische samenhang op kúnnen leveren.
Wellicht is het effectiever wanneer de maatschappelijke
ondernemingen (zoals schoolorganisaties) en hun omgeving
zelf de richting bepalen en voor de benodigde
voorwaarden een permanente dialoog (naar de woorden van
Balkenende in de regeringsverklaring) aangaan met de
overheid. Het is immers de lokale omgeving waar de beste
aansluiting ontworpen kan worden tussen vraag en aanbod.
Dit is ook de plek waar draagvlak de meeste kans van
slagen heeft. Pedagogische samenhang Er zijn drie
ontwikkelingen die aanzetten tot meer pedagogische
samenhang:
• De
opkomst van de brede school die de ontwikkeling en
ontwikkelingskansen van kinderen wil verbeteren door een
goede
samenwerking: de brede school als onderwijsvernieuwing.
• De
uitbreiding en pedagogische vernieuwing van het derde
milieu: de kinderopvang en het jeugdwerk. In het recente
verleden gold opvang nog als kerntaak, nu krijgen deze
voorzieningen steeds meer een pedagogische functie.
• De
opkomst van het dagarrangement van kinderen: een
doorlopend aanbod van onderwijs, opvang en vrije tijd.
Tegen
de achtergrond van de wettelijke verplichting van
scholen om de aansluiting tussen opvang en school te
regelen, kan bij punt drie het advies van de
Onderwijsraad (maart 2006) genoemd worden. De
Onderwijsraad beschrijft drie modellen om de nieuwe
verantwoordelijkheid te kunnen realiseren. Het meest
vergaande model is het integratiemodel, waarbij
onderwijs, opvang en zorg onder één overkoepelend
bestuur vallen en waarin naast organisatorische en
praktische ook inhoudelijke samenwerking plaatsvindt.
Bij dit model gaat de Onderwijsraad dus uit van een
verbinding tussen leerervaringen van kinderen, het
leggen van verbindingen tussen binnen- en buitenschools
leren. Verreweg de meeste scholen staan echter (nog) op
grote afstand van een dergelijke situatie.
Spanningsveld
Op een aantal scholen heerst de vrees dat de
primaire onderwijsfuncties van het onderwijs in het
gedrang komen door deze ontwikkelingen. Zij beleven een
spanningsveld tussen schoolspecifi eke en
maatschappelijke belangen en ervaren een toenemende druk
vanuit de ouders en de overheid.
Dat
vraagt van scholen lef om hun primaire onderwijsfuncties,
hun kerntaken, tegen het licht van de veranderende
maatschappelijke context te houden en daarvan te leren.
Het vereist van de ondernemende professionals in de
scholen de bereidheid en de wens om te zoeken naar
manieren om de maatschappelijke functies van het
onderwijs te verbreden zonder dat dit ten koste gaat van
de primaire onderwijsfuncties. De oplossing ligt in
samenwerking: het is niet de bedoeling dat scholen de
kerntaken van opvang- en jeugdwerkvoorzieningen
overnemen. En het is evenmin de school alléén die een
bredere pedagogische opdracht heeft gekregen.
*Meerwaarde
partnerorganisaties*
Samenwerking dus om samenhangende infrastructuur te
scheppen.
Samenwerking die moet leiden tot een succesvol
dagarrangement voor kinderen, vereist een
gemeenschappelijk pedagogisch en sociaal kader van de
verschillende organisaties. Dit betekent dus niet alleen
organisatorisch afstemmen van activiteiten en processen,
maar ook het gezamenlijk ontwikkelen van een visie op
het kind en daaruit voortvloeiend op de meerwaarde die
alle partnerorganisaties kunnen bieden. Daarbij is
belangrijk aandacht te hebben voor:
• de
verbinding tussen de binnen- en buitenschoolse
activiteiten op het dagritme van kinderen (en ouders); •
de pedagogische afstemming van de verschillende inhouden;
• de ontwikkelingsfasen van kinderen; • de
organisatorische afstemming tussen binnen- en
buitenschoolse voorzieningen; • integratie van taken en
kwaliteiten van professionals op de werkvloer,
leidinggevenden en besturen.
*Spin
in t web*
Het
bestaat (bijna) niet meer, de kinderopvang die zuiver
opvang biedt en de vrije tijdsvoorziening die kinderen
enkel bezighoudt. De school als gesloten systeem kan in
deze context niet meer overleven en belangrijker nog:
het kind van nu kan zich in een gesloten schoolsysteem
niet (meer) optimaal ontwikkelen. Het is de schoolleider
die de horizontale verbinding kan maken tussen het
eerste (gezin) en derde (opvang en vrije tijd) milieu en
de verticale verbinding in de school tussen management,
leerkrachten en kinderen. Wie durft?!
Bron:
Kader Primair Special - September 2007
Meer
informatie: Tekst Nicole van Dartel
Dit
artikel is mede gebaseerd op het artikel van Kees Bakker
en Saskia van Oenen (JeugdenCo 1, 2007)
|